Genesis 50:15-21
1. Wij hebben hier het vestigen van een goede verstandhouding tussen Jozef en zijn broers, nu hun vader was gestorven. Jozef was aan het hof in de residentie, zijn broers waren in Gosen, ver weg op het land, maar in goede vriendelijke overeenkomst met hen te blijven leven zou hem tot eer en hun tot voordeel wezen. Als God de ouders door de dood heeft weggenomen, dan moet al het mogelijke worden gedaan, niet alleen om twist te voorkomen onder de kinderen, (welke twist dikwijls ontstaat over het verdelen van de nalatenschap) maar ook om gemeenschap en liefde onder elkaar te bevorderen, opdat de eenheid instand blijft zelfs als het middelpunt van de eenheid is weggenomen.
I. Jozefs broeders vragen hem nederig om zijn gunst.
1. Zij begonnen vrees te koesteren voor Jozef, niet dat hij hun hiertoe reden gegeven had, maar de bewustheid van schuld en van hun eigen onmacht om in zo'n geval te vergeven en te vergeten, maakte dat zij de oprechtheid en de standvastigheid van Jozefs gunst wantrouwden, vers 15. Misschien zal Jozef ons haten. Zolang hun vader leefde, achtten zij zich veilig onder zijn schaduw, maar nu hij dood was, vreesden zij het ergste van Jozef. Een schuldig geweten stelt de mensen bloot aan voortdurende angsten, zelfs als er geen reden is tot vrees, en maakt dat zij iedereen wantrouwen, zoals Kaïn, Hoofdstuk 4:14. Zij, die zonder vrees willen zijn, moeten zich zonder schuld houden. Indien ons hart ons niet veroordeelt, dan hebben wij vrijmoedigheid tot God en mensen.
2. Zij verootmoedigden zich voor hem, beleden hun schuld en vroegen hem om vergeving. Zij deden het bij volmacht, vers 17 en zij deden het in persoon, vers 18. Nu de zon en de maan waren ondergegaan, hebben de elf sterren zich voor Jozef gebogen, voor een verdere vervulling van zijn droom. Zij spreken van hun vroegere overtreding met vernieuwd leedwezen. "Vergeef toch de overtreding." Zij werpen zich aan Jozefs voeten en doen een beroep op zijn barmhartigheid. "Wij zijn u tot knechten." Aldus moeten wij de zonden betreuren, die wij voorlang bedreven hebben, ook die zelfs, van welke wij hopen dat zij ons door genade vergeven zijn, en als wij God om vergeving bidden, dan moeten wij beloven Zijn dienstknechten te zullen wezen.
3. Zij pleitten op hun betrekking tot Jakob en tot Jakob's God.
a. Tot Jakob, aanvoerende dat hij hun gezegd had, dat zij zich moesten verootmoedigen, meer omdat hij betwijfelde of zij die plicht van de verootmoediging wel zouden volbrengen, dan omdat hij er aan twijfelde dat Jozef zijn plicht zou doen van hun vergeving te schenken hij kan ook redelijkerwijs niet verwachten dat Jozef hun verder vriendelijkheid zou betonen, tenzij zij er zich op die wijze voor bevoegd maakten, vers 16. "Uw vader heeft bevolen". Zo kunnen wij, als wij in geloof en met berouw over onze zonden ons verootmoedigen voor Christus, er op pleiten dat het het gebod is van Zijn Vader en onze Vader, dat wij dit doen.
b. Tot Jakob's God. Zij pleiten: vers 17 :Wij zijn de "dienaren van de God uws vaders", niet slechts kinderen van dezelfde Jakob, maar aanbidders van dezelfde Jehova. Wij moeten wèl bereid zijn allen te vergeven, die ons beledigd hebben of ons kwaad hebben aangedaan, maar zeer bijzonder moeten wij ons er voor wachten om wrok te koesteren tegen de dienaren van de God van onze vader, deze moeten wij met bijzondere tederheid behandelen, want wij en zij hebben dezelfde Meester. II. Met grote ontferming bevestigt Jozef zijn verzoening met hen vers 17. "En Jozef weende, als zij tot hem spraken.", het waren tranen van smart wegens hun verdenking van hem, en tranen van tederheid wegens hun verootmoediging. In zijn antwoord:
1. Zegt hij hun tot God op te zien in hun berouw, vers 19. "Ben ik in de plaats van God?" In zijn grote ootmoed dacht hij dat zij hem te veel eerbied betoonden, alsof hun geluk in zijn gunst was gelegen, en zo kwam wat hij hun zei op hetzelfde neer wat Petrus zei tot Cornelius: "Sta op, ik ben ook zelf een mens. Hebt vrede met God, weest verzoend met Hem, en dan zult gij bevinden dat het gemakkelijk genoeg is met mij verzoend te zijn." Als wij vergeving vragen aan hen, die wij beledigd hebben, dan moeten wij er ons voor wachten om hen in de plaats van God te stellen, door meer hun toorn te vrezen en meer hun gunst te vragen, dan wij de toorn van God vrezen en Zijn gunst zoeken. "Ben ik in de plaats van God, wie de wraak toekomt? Nee ik zal u overlaten aan Zijn ontferming." Zij, die zich wreken, treden in de plaats van God, Romeinen 12:19.
2. Hij verzacht hun misdaad uit aanmerking van het grote goed, dat God er op zo wonderbare wijze uit heeft doen voortkomen wat hen wel niet minder leedwezen moet doen gevoelen om hun zonde, maar hem zoveel bereidwilliger moet doen zijn om haar te vergeven, vers 20. "Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht", doch God heeft dat ten goede gedacht, opdat Hij deed, gelijk het te deze dage is, om een groot volk in het leven te behouden.", om de dromen te verijdelen-ten einde de dromen te vervullen, en Jozef tot een grotere zegen te stellen voor zijn familie dan hij anders geweest kon zijn. Als God gebruik maakt van der mensen doen om Zijn raadsbesluiten tot stand te brengen, dan zal Hij gewoonlijk een ding bedoelen, en zij een ander ding, zelfs het geheel tegenovergestelde, maar Gods raad zal bestaan. Zie Jesaja 10:7. God brengt dikwijls uit het kwade het goede voort, en dient de plannen van Zijn voorzienigheid zelfs door de zonden van de mensen, niet dat Hij de werker is van de zonde, verre zij het van ons dit te denken, maar Zijn oneindige wijsheid bestuurt in de samenloop van de gebeurtenissen, dat wat de strekking had Hem te onteren toch eindigt in Zijn lof, zoals de terdoodbrenging van Christus, Handelingen 2:23. Dat maakt de zonde niet minder zondig en de zondaars niet minder strafbaar, maar het strekt groots tot eer en heerlijkheid van Gods wijsheid.
3. Hij verzekert hen van zijn voortdurende vriendelijkheid en welwillendheid voor hen: "Vreest niet, ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden." vers 21. Zie van hoe uitnemende gezindheid Jozef was, en leer van hem kwaad met goed te vergelden. Hij zei hun niet dat zij nu wel acht hadden te geven op zichzelf, want dat hij slechts goed en vriendelijk voor hen zou zijn indien zij zich goed gedroegen, neen, hij wilde hen niet aldus in angst en onzekerheid laten, en de schijn niet aannemen alsof hij hen wantrouwde, hoewel zij hem gewantrouwd hadden, hij troostte hen en, om alle vrees uit hun hart te verbannen, sprak hij naar hun hart. Een verbroken en verslagen hart moet vertroost en bemoedigd worden. Hun, die wij liefhebben, en aan wie wij vergeving hebben geschonken, moeten wij niet slechts weldoen, wij moeten ook vriendelijk met hen zijn, en naar hun hart spreken.