Genesis 4:25-26
Dit is de eerste vermelding van Adams naam in de geschiedenis van dit hoofdstuk. Er is niet aan te twijfelen of de moord op Abel en de onboetvaardigheid van Kaïn moeten een zeer grote smart geweest zijn voor hem en Eva, te meer omdat hun eigen boosheid hen nu kastijdde, en hun afkeringen hen straffen. Hun dwaasheid had aan zonde en dood toegang gegeven in de wereld, en nu boetten zij er voor, daar zij hierdoor op een dag van hun beide zonen beroofd waren, Hoofdstuk 27:45. Als ouders verdriet hebben van de goddeloosheid van hun kinderen, dan moeten zij daar aanleiding uit nemen om te treuren over het bederf van de natuur, dat van hen afkomstig is, en dat de wortel is van de bitterheid. Maar hier hebben wij hetgeen voor onze eerste ouders een verlichting was in hun beproeving.
I. God gaf hun de wederopbouw te zien van hun gezin, dat ontzaglijk geschud en verzwakt was door die treurige gebeurtenis. Want:
1. Zij zagen hun zaad een ander zaad voor Abel, vers 25. Let op Gods vriendelijkheid en tederheid jegens Zijn volk in Zijn leidingen met hen, als Hij hun een lieflijkheid, een vertroosting ontneemt, geeft Hij er hun een andere voor in de plaats, die nog een grotere zegen voor hen kan blijken te zijn, dan die waarin zij dachten, dat geheel hun leven lag opgesloten. Dat andere zaad was hij, in wie de kerk opgebouwd en vereeuwigd zou worden, en hij komt in de plaats van Abel, want de opvolging van de belijders is de herleving van de martelaren, de opstanding, als het ware, van Gods vermoorde getuigen. Aldus zijn wij "voor de doden gedoopt," 1 Corinthiërs 15:29, dat is: wij zijn door de doop, toegelaten in de kerk, voor of in de plaats van hen, die door de dood, inzonderheid door de marteldood, er uit weg genomen zijn, en wij vullen hun ledige plaats in. Zij, die Gods dienstknechten doden, hopen aldus de heiligen des Allerhoogsten te verstoren maar zij zullen teleurgesteld worden. Christus zal Zijn zaad nog zien, God kan uit stenen Hem kinderen verwekken, en het bloed der martelaren het zaad van de kerk doen zijn, wier landen daarvan zijn wij zeker, nooit verloren zullen gaan uit gebrek aan erfgenamen. Door de geest van de profetie noemden zij deze zoon Seth, dat is: vast, gevestigd, of geplaatst, omdat in zijn zaad het mensdom zal blijven bestaan tot aan het einde der tijden, en de Messias van hem zou afstammen. Terwijl Kaïn, het hoofd van de afval, een zwerveling zou wezen, is Seth, uit wie de ware kerk zal voortkomen, een gevestigde. In Christus en Zijn kerk is de enig ware vestiging.
2. Zij zagen het zaad huns zaads, vers 26. :Aan Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos, de algemene naam voor alle mensen, die de zwakheid, broosheid en ellende van des mensen toestand aanduidt. De beste mensen zijn zich hier het meest van bewust, zowel voor zichzelf als voor hun kinderen. Wij zijn nooit zo vast gevestigd, of wij moeten ons herinneren dat wij broos zijn.
II. God gaf hun de wederopwekking van de Godsdienst te zien in hun geslacht, vers 26. Toen begon men de naam des Heeren aan te roepen. Het is weinig vertroosting voor een man om zijn kindskinderen te zien, indien hij daarbij niet vrede ziet over Israël, en dat die uit hem voortgekomen zijn in de waarheid wandelen. Ongetwijfeld was Gods naam reeds tevoren uitgeroepen, maar nu:
1. Begonnen de aanbidders van God zich meer op te wekken in de Godsdienst dan vroeger, misschien niet meer dan in den beginne maar meer dan in de laatste tijd sedert de afval van Kaïn. Nu begonnen de mensen God te aanbidden, niet slechts in de binnenkamer en in hun gezin, maar ook in het openbaar, in de plechtige vergaderingen. Of wel er was nu zo'n grondige hervorming in de Godsdienst, dat het, als het ware, een nieuw begin er van was. Dit toen kan betrekking hebben, niet op de geboorte van Enos, maar op geheel de voorafgaande geschiedenis, toen, als de mensen in Kaïn en Lamech de treurige uitwerkingen zagen van de zonde, door de werking van het natuurlijk geweten, toen waren zij zoveel te meer levendig, opgewekt en vastberaden in de Godsdienst. Hoe slechter anderen zijn, hoe beter wij moeten wezen en hoe meer ijverig.
2. De aanbidders van God begonnen zich te onderscheiden, zoals de kanttekening aangeeft, namelijk toen begon men zich naar de naam des Heeren te noemen. Nu Kaïn en zij, die de Godsdienst hadden verlaten, een stad hadden gebouwd, en zich als ongodsdienstig en onheilig te kennen gaven, en zich zonen van de mensen noemden, zijn zij, die God aankleefden, begonnen zich voor Hem en Zijn aanbidding te verklaren, en noemden zij zich Gods zonen. Nu begon het onderscheid tussen belijders en onheiligen, welk onderscheid sedert altijd is gebleven, en zolang de wereld staat altijd zal blijven.