Genesis 47:27-31
Wij kunnen hier opmerken:
1. De welgesteldheid van Jakob, vers 27, 28. Terwijl de Egyptenaren verarmden in hun eigen land, had Jakob overvloed in een vreemd land. Hij leefde nog zeventien jaren nadat hij in Egypte kwam, ver boven hetgeen hij verwacht had. Zeventien jaren. had hij Jozef gevoed en onderhouden, (want zo oud was deze, toen hij van hem verkocht werd, Hoofdstuk 37:en nu, bij wijze van wedervergelding, heeft Jozef hem zeventien jaren onderhouden.
Merk op hoe vriendelijk God in Zijn voorzienigheid Jakob's zaken heeft geschikt: toen hij oud was en het minst instaat was zorg en vermoeienis te dragen, had hij dit ook het minst nodig, daar hij door zijn zoon wèl verzorgd werd, zonder dat hij er zelf enige bemoeienis mee had, want Hij weet wat maaksel wij zijn, en dus ook wat wij kunnen en niet kunnen.
2. In welke zorg Jakob stierf. Eindelijk, vers 29, naderden de dagen, dat Israël sterven zou. Israël, een vorst Gods, die de engel had overmocht, moet zich toch aan de dood onderwerpen. Het is niet te verhelpen, hij moet sterven, het is alle mensen gezet eenmaal te sterven, en dus ook aan hem, er is geen geweer in deze strijd. Jozef voorzag hem van brood, opdat hij niet van honger zou sterven, maar dat heeft hem er niet tegen beveiligd om van ouderdom en ziekte te sterven. Hij stierf langzaam, zijn kaars werd niet uitgeblust, maar brandde af, zodat hij de tijd zijns doods zag naderen. Het is een voorrecht om de nadering des doods te zien, eer wij nog zijn macht gewaar worden, want wij kunnen er door opgewekt worden om wat onze hand te doen vindt, te doen met al onze macht, maar hij is niet ver van een ieder van ons. Nu betrof Jakob's zorg, toen hij de dag zijns doods zag naderen, zijn begrafenis, niet de praal of staatsie er van (daarover bekommerde hij zich niet) maar wel over de plaats waar hij begraven zou worden.
A. Hij wilde begraven worden in Kanaän. Dit was geen blote gril of luim, omdat Kanaän zijn geboorteland was, maar hij wilde het in geloof, omdat het het land van de belofte was, (waarvan hij dus, als het ware bezit wilde blijven houden, totdat de tijd zou komen, wanneer zijn nakomelingen er meesters van zouden zijn) en omdat het een type was van de hemel, het betere land, hetgeen hij, die deze dingen zei, klaarlijk betoonde het vaderland te zijn, dat hij verwachtte, Hebreeën 11:14. Hij had een goed land op het oog, dat aan de andere kant des doods hem rust en zaligheid zal bieden.
B. Hij wilde Jozef doen zweren, dat hij hem daarheen zou brengen om begraven te worden, vers 29-31, opdat Jozef, door zo plechtige eed gebonden zijnde, dit zou kunnen aanvoeren tegen de bedenkingen, die er tegen gemaakt zouden kunnen worden, en tevens tot grotere voldoening van Jakob nu hij op het punt stond van te sterven. Niets kan een betere hulp zijn om een sterfbed licht te maken, de het stellige vooruitzicht van een rust in Kanaän na de dood.
C. Toen dit geschied was boog Israël zich ten hoofde van het bed, zich als het ware buigende om de slag des doods te ontvangen (laat de dood nu komen, hij zal mij welkom wezen) of wel, God aanbiddende, zoals dit verklaard wordt in Hebreeën 11:21, God dankende voor al Zijn gunstbewijzen, inzonderheid hiervoor dat Jozef bereid was, niet alleen om zijn hand op zijn ogen te leggen, om ze te sluiten, maar onder zijn heup, om hem de verzekering te geven, die hij begeerde omtrent zijn begrafenis. Aldus behoren zij, die nederdalen in het stof, zich in ootmoediger dank te buigen voor hun God, de God hunner goedertierenheden, Psalm 22:30.