Genesis 27:18-29
Merk hier op:
I. De bedrevenheid, waarmee Jakob dit bedrog ten uitvoer bracht. Wie zou gedacht hebben, dat deze eenvoudige man in zo'n zaak zijn rol zo goed zou kunnen spelen? Daar zijn moeder hem op die weg geplaatst had en hem er op aanmoedigde, heeft hij zich met grote bekwaamheid toegelegd op een wijze van handelen, die hij nooit tevoren beoefend had, maar waarvan hij altijd een afschuw gehad heeft. De kunst van liegen wordt spoedig geleerd. De psalmist spreekt van hen, die liegen vanaf dat zij geboren zijn, Psalm 58:4, Jeremia 9:5. Ik vraag mij af hoe de oprechte Jakob zo gemakkelijk zijn tong tot zijn dienst had, om te zeggen: Ik ben Ezau, uw eerstgeborene, en ik kan ook niet inzien hoe de poging van sommigen om zijn karakter te redden door de dubbelzinnigheid: "ik ben tot uw eerstgeborene gemaakt," namelijk door aankoop, hem van enigerlei dienst is, want toen zijn vader hem vroeg, vers 24, Zijt gij mijn zoon Ezau zelf? zei hij: ik ben het. Hoe kon hij zeggen: Ik heb gedaan gelijk als gij tot mij gesproken hebt, dat is: gelijk gij mij bevolen hebt te doen, als hij toch geen bevel van zijn vader had ontvangen, maar slechts gedaan had wat zijn moeder hem bevolen heeft te doen? Hoe kon hij zeggen: eet van mijn wilddraad, als hij wist dat het niet van het veld, maar van de schaapskooi kwam? Maar bovenal vraag ik mij af hoe hij de driestheid kon hebben om het aan God toe te schrijven, en van Zijn naam gebruik te maken voor het bedrog, vers 20. De Heere uw God heeft het mij doen ontmoeten voor mijn aangezicht. Is dit Jakob? Is dit waarlijk Israël zonder bedrog? Het is voorzeker geschreven, niet tot onze navolging, maar tot onze waarschuwing. "Wie meent te staan zie toe, dat hij niet valle." Godvruchtige mensen zijn soms tekort gekomen in de beoefening van de genade, waarin zij het meest hebben uitgeblonken.
II. Het succes van deze handeling, na enige moeilijkheid bereikt Jakob zijn doel, hij verkrijgt de zegen.
1. In het eerst was Izaak onvoldaan en zou het bedrog ontdekt hebben, indien hij zijn eigen oren kon vertrouwen, want de stem was Jakob's stem, vers 22. In Zijn voorzienigheid heeft God een verwonderlijke verscheidenheid beschikt in de stemmen, zowel als in het gelaat van de mensen, hetgeen ook zeer nuttig is om te voorkomen, dat wij bedrogen worden, en de stem kan niet gemakkelijk veranderd of nagebootst worden. Hierop kan gezinspeeld worden om de aard van een geveinsde aan te duiden, zijn stem is Jakob's stem, maar zijn handen zijn Ezau's handen, hij spreekt de taal van een heilige, maar doet de werken van een zondaar, maar, evenals hier, zal geoordeeld worden naar de handen.
2. Eindelijk wordt hij door de macht van het bedrog overwonnen, omdat zijn handen harig waren, vers 23, niet bedenkende hoe gemakkelijk dit was na te bootsen. En nu zet Jakob zijn werk voort met behendigheid, zet zijn vader zijn wildbraad voor, bedient hem aan tafel totdat het maal is afgelopen en de zegen aan het einde van dit plechtige feestmaal zal worden uitgesproken. Hetgeen enigermate bij de misdaad van Rebekka en Jakob een verzachtende omstandigheid is, bestaat hierin, dat het bedrog niet zozeer bedoeld was om de vervulling van de Godsspraak te verhaasten, als wel om het verijdelen er van te voorkomen. De zegen zou op het verkeerde hoofd worden uitgesproken, en zij dachten dat het voor hen hoog tijd was om dit te beletten.
Laat ons nu zien hoe Izaak de zegen gaf. Hij kuste hem, vers 26, als teken van bijzondere genegenheid voor hem. Zij, die door God gezegend worden, worden door Hem gekust met de kussen van Zijn mond, en in liefde en trouw "kussen zij de Zoon," Psalm 2:12.
Hij prees hem, vers 27. Hij rook de reuk van zijn kleren, en zei: zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de Heere gezegend heeft, dat is: als de geurigste bloemen en specerijen. Het scheen dat God hem had gezegend, en daarom wil hij hem zegenen, vergelijk vers 28.
Hij bad voor hem, en daarin profeteerde hij van hem. Het is de plicht van ouders om voor hun kinderen te bidden, en hen te zegenen in naam des Heeren. En aldus, evenals door hun doop, te doen wat zij kunnen om het erfdeel van het verbond in hun geslacht te bewaren. Maar dit was een buitengewone zegen, en Gods voorzienigheid heeft het aldus geleid en beschikt, dat Izaak hem onwetend en bij vergissing aan Jakob schonk, opdat het zou blijken dat hij hem aan God en niet aan Izaak te danken had. Jakob wordt hier gezegend met drie dingen.
a. Met overvloed, vers 28, hemel en aarde samenwerkende om hem te verrijken.
b. Met macht, vers 29, heerschappij inzonderheid over zijn broederen, namelijk Ezau en zijn nakomelingen.
c. Gunst van God en grote invloed in de hemel. Vervloekt moet hij zijn, die u vervloekt. God zij een vriend voor al uw vrienden, en een vijand voor al uw vijanden. Er ligt in deze zegen voorzeker meer opgesloten dan op het eerste gezicht blijkt. Het is het erfdeel in de belofte van de Messias en de kerk. Dat was in het dialect van de patriarchen de zegen, er is ongetwijfeld iets geestelijks in opgesloten.
Ten eerste. Dat uit hem de Messias zou voortkomen, die een vrijmachtige heerschappij zou hebben op aarde. Het was die Spruit uit zijn geslacht, die de volken zullen dienen, en voor wie de natiën zich zullen neerbuigen. Zie Numeri 24:19. "Daar zal een uit Jakob heersen. Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en daar zal een scepter uit Israël opkomen," vers 17. Jakob's heerschappij over Ezau was daar slechts het type van, Hoofdstuk 49:10.
Ten tweede. Dat uit hem de kerk zal voortkomen, die zeer bijzonder door de Heere gezegend zal worden. Het was een deel van de zegen van Abraham toen hij voor het eerst geroepen werd om de vader der gelovigen te zijn, Hoofdstuk 12:3. "Ik zal zegenen die u zegenen," toen Izaak later de zegen aan Jakob bevestigde, heeft hij hem daarom de zegen van Abraham genoemd, Hoofdstuk 28:4. Het is de beste en begerenswaardigste zegen om in betrekking te staan tot Christus en Zijn kerk, deel te hebben aan Christus' macht en de gunsten der kerk.