Genesis 45:25-28
Hier zien wij hoe de goede tijding aan Jakob wordt meegedeeld.
1. In het eerst heeft het verhaal er van zijn geest neergeslagen. Toen zijn zonen zonder enigerlei voorbereiding tot hem inkwamen, roepende: Jozef leeft nog, terwijl zij met elkaar wedijverden, wie het eerst het bericht zou brengen, dacht hij misschien dat zij met hem schertsten, en die belediging smartte hem, of wel, het blote feit van het noemen van Jozefs naam wekte zijn smart over hem weer op, zodat zijn hart bezweek, vers 26, het duurde lang eer hij weer tot zichzelf kwam. Hij was zozeer in zorg en vrees over de overigen van hen, dat het toen blijdschap genoeg voor hem geweest zou zijn te horen, dat Simeon vrijgelaten en Benjamin veilig en wel teruggekomen was, (want hij had zich bijna aan wanhoop over die beide overgegeven) maar te horen dat Jozef nog leeft, dat was een te goede tijding om waar te kunnen wezen, hij bezwijmt, want hij gelooft het niet. Wij bezwijken, omdat wij niet geloven, David zelf zou vergaan zijn, indien hij niet had geloofd, Psalm 27:13.
2. De bevestiging er van deed zijn geest langzamerhand weer herleven. Jakob had zijn zonen zeer gemakkelijk geloof geschonken, toen zij hem zeiden: Jozef is dood, maar nu zij hem zeggen: Jozef leeft nog, kan hij hen nauwelijks geloven. Op mensen van een zwak en teer gemoed heeft vrees meer invloed dan hoop, zij komen gemakkelijker onder indrukken, die ontmoedigen, dan onder die welke bemoedigen. Maar eindelijk werd Jakob overtuigd van de waarheid van het bericht, in het bijzonder toen hij de wagens zag, die gezonden waren om hem te halen, want zien is geloven, en toen werd zijn geest weer levendig. De dood is als de wagens, die gezonden zijn om ons naar Christus thuis te halen, het gezicht van zijn nadering moest onze geest weer levendmaken. Nu wordt Jakob Israël genoemd, vers 28, want hij begint zijn geestkracht te herkrijgen.
a. Hij verblijdt zich in de gedachte, dat Jozef nog leeft. Hij zegt niets van Jozefs heerlijkheid, waarvan zij hem verhaald hebben, het was hem genoeg dat Jozef leefde. Zij, die tevreden zijn met een mindere mate van vertroosting en genot, zijn het best bereid voor het meerdere.
b. Het is hem een genoegen te denken, dat hij tot hem zal gaan om hem te zien. Ofschoon hij oud en de reis lang was wilde hij toch Jozef gaan zien, omdat Jozefs zaken hem niet toestonden om tot hem te komen.
Merk op dat hij zegt: "Ik zal gaan en hem zien," niet: "Ik zal gaan en bij hem wonen." Jakob was oud en verwachtte niet lang meer te zullen leven, "maar ik zal gaan en hem zien eer ik sterf," en dan zal ik in vrede kunnen heengaan. Laat mijn ogen verkwikt worden door hem te zien, eer zij gesloten worden, en dan is het genoeg, dan behoef ik niets meer om mij gelukkig te maken in deze wereld." Het is voor ons allen goed om ons gemeenzaam te maken met de dood, er van te spreken als nabijzijnd, opdat wij mogen bedenken hoe weinig wij hebben te doen eer wij sterven, en het dan te doen met al onze macht en van hetgeen wij lieflijke hebben mogen genieten als degenen, die weldra zullen sterven en het zullen verlaten.