Genesis 44:18-34
Wij hebben hier een zeer edele en aandoenlijke rede, die Juda ten behoeve van Benjamin voor Jozef heeft uitgesproken, om de ontheffing te verkrijgen van het over hem uitgesproken vonnis, hetzij omdat hij Benjamin meer welgezind was dan de overigen, of zich onder grotere verplichting achtte dan de anderen om pogingen aan te wenden tot zijn invrijheidstelling, daar hij zijn woord had verpand aan zijn vader, dat hij hem veilig terug zou brengen. Het kan ook wezen, dat de anderen hem tot hun woordvoerder gemaakt hebben, omdat hij een man was van meer verstand en van een betere geest, en meer macht had over de taal dan iemand van hen. Zijn toespraak, zoals die hier vermeld is, is zó natuurlijk, zó ongekunsteld en zó zeer de uitdrukking van zijn gevoel, dat wij niet anders kunnen veronderstellen dan dat Mozes, die haar lang daarna geschreven heeft, haar geschreven heeft onder de bijzondere leiding van Hem, die de mond van de mens gemaakt heeft. Er is in deze rede zeer veel natuurlijke kunst, onbestudeerde en ongedwongen welsprekendheid.
I. Hij richt zich met grote eerbied tot Jozef, noemt hem mijn heer, en zichzelf en zijn broers zijn knechten, verzoekt hem een geduldig gehoor, en schrijft hem soevereine macht toe: "gij zijt even gelijk Farao, van wie wij gunst begeren en wiens toorn wij vrezen, zoals wij Farao's toorn vrezen". De godsdienst staat geen goede manieren in de weg, en het is verstandig om hoffelijk en onderdanig te spreken tot hen, in wiens macht wij ons bevinden, eretitels te geven aan hen, die er recht op hebben, is niet hetzelfde als hen te vleien.
II. Hij stelde Benjamin voor als iemand, die zijn medelijden wel waardig was, vers 20, hij was, vergeleken met de overige van hen, een jongeling, de jongste van allen, onbekend met de wereld, niet gewend aan haar wreedheid en hardheid, daar hij altijd op tere wijze door zijn vader was opgevoed. De zaak werd er nog deerniswaardiger door, dat hij de enige was, die van zijn moeder was overgebleven, daar zijn broeder, namelijk Jozef, dood was. Weinig dacht Juda welk een teer punt hij nu aanraakte. Juda wist dat Jozef verkocht was, hij had dus wel reden te denken dat hij nog leefde, hij kon tenminste niet met zekerheid weten dat hij dood was, maar zij hebben hun vader doen geloven dat hij dood was, en nu zij die leugen zo dikwijls gezegd hadden waren zij de waarheid vergeten, en begonnen zijzelf in de leugen te geloven.
III. Hij voerde zeer sterk als pleitgrond voor zijn bede aan, dat Jozef zelf hen gedwongen had Benjamin mee te brengen, de wens te kennen had gegeven om hem te zien, vers 21, en hun verboden had voor zijn aangezicht te komen, tenzij zij Benjamin meebrachten, vers 23-26, hetgeen te kennen gaf dat hij iets goeds en vriendelijks met hem voorhad. En moet hij nu met zoveel moeite herwaarts gebracht worden, alleen maar om tot altijddurende slavernij verwezen te worden? Was hij niet naar Egypte gebracht uit zuivere gehoorzaamheid aan het bevel van Jozef, en zou hij hem dan nu niet barmhartigheid bewijzen? Sommigen maken de opmerking dat de zonen van Jakob in hun betoog bij hun vader tot hem gezegd hadden: Indien gij hem, Benjamin, niet zendt, wij zullen niet vertrekken, Hoofdstuk 43:5, maar dat Juda als hij er toe komt om dit te verhalen, zich van veel passender woorden bedient. Wij zullen niet mogen vertrekken, of "wij kunnen niet vertrekken met enigerlei hoop op een goede uitslag. Onbetamelijke woorden, in haast, of in drift, tot onze meerdere gesproken, behoren herroepen of verbeterd te worden.
IV. Het grote argument waarop hij de nadruk legt, was de ondraaglijke smart, die het voor zijn oude vader zijn zou, indien Benjamin in slavernij moest achterblijven, zijn vader heeft hem lief, vers 20. Dit hadden zij als pleitgrond aangevoerd tegen Jozefs aandringen op zijn komst, vers 22. "Indien hij zijn vader verlaat zo zal hij sterven, vers 22, dat is: zijn vader zal sterven, en nog veel meer zal dit het geval wezen, indien hij achterblijft om nooit tot hem weer te keren." Dit had de oude man, van wie zij spraken, aangevoerd tegen zijn reis naar Egypte, vers 29. Indien gij nu deze ook voor mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zoudt gij mijn grauwe haren, die kroon van de ouderdom, met jammer ten grave doen nederdalen. Dit voert Juda met grote ernst aan, zijn ziel is aan diens ziel gebonden, vers 30. Als hij ziet, dat de jongeling niet met ons is, dan zal hij bezwijken en terstond sterven, vers 31, of, de hevige smart, waaraan hij zich zal overgeven, zal binnen weinige dagen een einde aan zijn leven maken.
Eindelijk. Juda zegt dat hij voor zich het niet kon dragen dit te zien, vers 34. Dat ik de jammer niet zie, welke mijn vader overkomen zou. Het is de plicht van de kinderen met grote tederheid te zorgen voor het welzijn van hun ouders, bang te zijn voor alles wat hun een oorzaak van smart kan wezen. Alzo kan de liefde, die eerst van hen afdaalde, dan weer tot hen opklimmen, en iets gedaan worden om hen voor hun zorg en tederheid te belonen.
V. Om de rechtvaardigheid van het vonnis van Jozef te huldigen, en zijn oprechtheid aan te tonen in hetgeen hij in zijn pleitrede heeft aangevoerd, doet Juda het aanbod om in Benjamins plaats als slaaf achter te blijven, vers 33. Aldus zou aan de wet voldaan worden. Jozef zou er niets door verliezen, (want wij kunnen onderstellen dat Juda een krachtiger man was dan Benjamin, en dus beter tot dienstwerk instaat) en Jakob zou het beter kunnen dragen hem te verliezen, dan om Benjamin te verliezen. Tot zover was het dus zijn zaak om vanwege zijn vaders bijzondere liefde voor Benjamin verdrietig te zijn, dat hij bereid is slaaf te worden ten einde hem er in toe te geven.
Al zou nu Jozef, zoals Juda hem veronderstelde, een volkomen vreemdeling geweest zijn voor de familie, dan zou toch zo krachtig pleiten en redeneren invloed op hem geoefend moeten hebben, daar het gevoel van menselijkheid er door zou aangedaan zijn, want niets kon gezegd worden, dat meer teder en aandoenlijk is, het was genoeg om een stenen hart te vermurwen. Maar Jozef was aan Benjamin nader verwant dan Juda zelf, en koesterde beide voor hem en voor zijn oude vader meer genegenheid dan Juda, en daarom kon hij niets gezegd hebben, dat gelukkiger of aan Jozef aangenamer was. Jakob noch Benjamin hadden een voorspraak bij Jozef nodig, want hij zelf had hen lief.
Laat ons over de gehele zaak opmerken:
1. Met hoeveel voorzichtigheid Juda het vermeed melding te maken van de misdaad, waarvan Benjamin beschuldigd werd. Had hij iets gezegd bij wijze van bekentenis er van, hij zou een blaam hebben geworpen op Benjamin de schijn hebben gehad zijn eerlijkheid te verdenken, en zo hij iets gezegd had bij wijze van ontkenning er van, hij zou een blaam hebben geworpen op Jozefs rechtvaardigheid en het door hem uitgesproken vonnis. Daarom laat hij die gehele zaak rusten, en doet slechts een beroep op Jozefs medelijden. Vergelijk dit met Jobs verootmoediging voor God, Job 9:15. "Denwelken ik, zo ik rechtvaardig zou zijn, niet zou antwoorden, mijn Rechter zal ik om genade bidden, " ik zou niet redeneren, geen argumenten bijbrengen om mij vrij te pleiten, maar om genade bidden.
2. Welk een goede rede de stervende Jakob had om te zeggen: "Juda, gij zijt het, u zullen uw broers loven," Hoofdstuk 49:8 want hij overtrof hen allen in stoutmoedigheid, wijsheid en welsprekendheid, in het bijzonder in tederheid voor hun vader en zijn gezin. 3. Juda's trouwe aanhankelijkheid aan Benjamin, die nu in droefenis was, werd lang daarna beloond door de standvastige trouw van de stam van Benjamin aan die van Juda, toen de tien anderen die stam verzaakten.
4. Hoe gepast de apostel, als hij van Christus' Middelaarschap spreekt, opmerkt, dat onze Heer "uit Juda gesproten is," Hebreeën 7:14, want, evenals Zijn vader Juda, heeft Hij niet slechts voor de overtreders gebeden, maar is borg voor hen geworden, Hebreeën 7:22, waarin Hij een zeer tere zorg betoonde beide voor Zijn Vader en voor zijn broers.