Genesis 43:26-34
Hier is:
I. De grote eerbied, die de broers van Jozef hem bewezen, toen zij hem het geschenk brachten, zij bogen zich voor hem ter aarde, vers 26, en opnieuw, toen zij hem bericht gaven omtrent de gezondheid van hun vader, neigden zij het hoofd en bogen zich, en spraken van uw knecht, onze vader, vers 28. Aldus werden de dromen van Jozef al meer en meer vervuld, en door de zonen, boog zich zelfs de vader voor hem, overeenkomstig de droom, Hoofdstuk 37:10. Jakob had hun waarschijnlijk gezegd dat zij, indien zij gelegenheid hadden om van hem tot de man, de heer van het land, te spreken, hem zijn knecht zouden noemen.
II. De grote vriendelijkheid, die Jozef hun toonde, terwijl zij nog weinig dachten dat zij uit broederlijke liefde voortkwam. Hier is:
1. Zijn vriendelijk vragen naar Jakob: leeft hij nog? een zeer gepaste vraag omtrent iedereen, en in het bijzonder omtrent oude lieden, want wij sterven dagelijks, het is verwonderlijk dat wij nog leven. Vele jaren tevoren had Jakob gezegd: ik zal tot mijn zoon in het graf nederdalen, maar hij leeft nog, wij moeten niet sterven wanneer wij willen.
2. De vriendelijke aandacht, die hij schonk aan Benjamin, zijn volle broer.
A. Hij zond een gebed voor hem op, vers 29 mijn zoon, God zij u genadig. Hoewel Jozef de heer van het land was, zou zijn gunst hem weinig goed hebben gedaan, tenzij God hem genadig is. Velen zoeken de gunst van de heersers, maar hij leidt hem om de gunst van de Heerser van de heersers te zoeken.
B. Hij stortte tranen om hem, vers 30. Zijn natuurlijke genegenheid voor zijn broeder, zijn vreugde om hem te zien, zijn bekommernis om hem en de overigen van hen in broodsgebrek te weten, en de herinnering aan zijn eigen lijden sedert hij hem het laatst gezien had, brachten een grote ontroering bij hem teweeg, die hem wellicht des te heftiger aandeed wijl hij poogde haar te onderdrukken, maar hij was genoodzaakt zich in een binnenkamer terug te trekken, om daar lucht te geven aan zijn gevoel door te wenen. Tranen van tederheid en liefde zijn volstrekt geen verkleining voor de mens, zelfs niet voor aanzienlijke en wijze mensen. Godvruchtigen moeten, als zij wenen, hun tranen niet bekendmaken, "mijn ziel zal in verborgen plaatsen wenen," zegt de profeet, Jeremia 13:17. "Petrus ging naar buiten en weende bitterlijk," zie Mattheus 26.
3. Zijn vriendelijk onthaal van allen. Toen zijn wenen tot bedaren kwam, zat hij met hen aan voor het middagmaal, onthaalde hen ruim en feestelijk.
A. Hij gaf orders om drie tafels toe te richten, een voor zijn broers, een tweede voor de Egyptenaren, die bij hem aten, (want hun gewoonten waren zó verschillend dat zij niet graag aan een tafel aten) een derde voor hemzelf, want hij durfde zich nog niet als Hebreeër bekennen en wilde toch niet met de Egyptenaren aanzitten. Zie hier een voorbeeld:
a. Van gastvrijheid en goede huiselijke orde, dat iets zeer loffelijks is, naar ieders vermogen het meebrengt. b. Van een zich schikken naar de begrippen van de mensen, al zijn die ook grillig, zoals bisschop Patrick dit niet willen eten van de Egyptenaren met de Hebreeën noemt. Hoewel Jozef de heer van het land was en er orders waren gegeven, dat iedereen hem moest gehoorzamen, wilde hij toch de Egyptenaren niet dwingen, om tegen hun zin met de Hebreeën te eten, maar liet hun vrij om naar hun genoegen te doen, wie waarlijk edelmoedig van aard is, haat dwang.
c. Van de vroege verwijdering reeds tussen Joden en heidenen, zij konden niet met elkaar aan een tafel aanzitten.
B. Hij deed zijn broers plaatsnemen naar hun onderscheiden rang van ouderdom, vers 33, alsof hij dat zeker waarnemen zou. Sommigen denken dat zij zelf aldus plaats hebben genomen naar hun gewoonte, maar dan zie ik niet waarom daar zo bijzonder nota van genomen is, inzonderheid omdat zij zich onder elkaar er over verwonderden.
C. Hij gaf hun een overvloedig maal en zond hun schotels van zijn eigen tafel, vers 34. Dit was des te meer edelmoedig in hem en verplichtend voor hen vanwege de schaarsheid van de levensmiddelen. Ten dage van de honger is het genoeg gevoed te worden, maar zij werden aan een feestmaal onthaald. Zulk een goed middagmaal hadden zij misschien in geen maanden gehad. Er wordt gezegd: Zij dronken en waren vrolijk. Hun zorgen en vrees waren nu voorbij, en zij aten hun brood met blijdschap, denkende dat zij nu op goede voet stonden met de man, de heer van het land. Indien God onze werken-ons geschenk-aanneemt dan hebben wij reden om vrolijk te zijn. Maar toch, als wij, zoals zij hier, aanzitten om met een heerser te eten, dan moeten wij scherp letten op degene, die voor ons aangezicht is, en ons door zijn smakelijke spijzen niet laten geruststellen, Spreuken 23:1-3. Jozef gaf hun te verstaan dat Benjamin zijn gunsteling was, want zijn gerecht was vijf maal groter dan de gerechten van hen allen, niet alsof hij wilde dat hij zoveel meer zou eten dan de anderen want dan zou hij meer eten dan goed voor hem was, (en het is geen daad van vriendschap, maar een kwaad veeleer en een onvriendelijkheid, om iemand tot te veel eten of drinken te dringen) maar aldus wilde hij zijn bijzondere genegenheid voor hem tonen, om te zien of zijn broers Benjamins meerdere gerechten zouden benijden, zoals zij voorheen hem benijd hadden om zijn fraaiere rok. En in zo'n geval moet het ons ten regel wezen om tevreden te zijn met wat wij hebben en ons niet te bedroeven om wat anderen hebben.