Genesis 43:15-25
Jakob's zonen, toestemming verkregen hebbende om Benjamin mede te nemen, hielden zich strikt aan de orders, die hun vader hun had gegeven en gingen voor de tweede maal af naar Egypte om koren te kopen. Als wij ooit te weten komen wat een honger van het woord betekent, zo laat ons niet denken dat het te veel is om even ver te reizen om geestelijk voedsel te verkrijgen, als zij gereisd hebben om voedsel voor het lichaam te bekomen. Nu hebben wij hier een bericht van hetgeen voorviel tussen hen en de man, die over het huis van Jozef was, die, naar sommige vermoeden, in het geheim was en hen kende als Jozefs broers, en meehielp om de zaak van Jozefs wil te regelen. Ik denk echter dat dit niet zo was, want toen Jozef zich daarna aan zijn broers bekendmaakte wilde hij dat daar niemand bij tegenwoordig was, Hoofdstuk 45:1.
I. Jozefs huisbezorger had orders van Jozef (die het druk had met koren te verkopen en geld te ontvangen) om hen naar zijn huis te brengen en een maaltijd voor hen gereed te maken. Hoewel Jozef Benjamin daar zag, wilde hij toch niet in werktijd met werken ophouden, noch het aan iemand anders opdragen. Op hun tijd gaan zaken vóór beleefdheid. Ons noodzakelijk werk mag niet verzuimd worden, zelfs niet om onze vrienden welkom te heten.
II. Zelfs dit verschrikte hen vers 18. Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden. De rechtvaardige beschuldigingen van hun geweten en Jozefs heftige verdenking van hen beletten hun enigerlei gunst te verwachten, maar deden het vermoeden bij hen ontstaan, dat dit met kwade bedoeling geschiedde. Zij, die schuldig zijn en daardoor vreesachtig, zijn licht geneigd om van alles het ergste te denken. Nu dachten zij ter verantwoording te zullen geroepen worden wegens het geld, dat zij bovenin hun zakken gevonden hadden, beschuldigd te zullen worden van bedriegers te zijn, met wie men geen handel kon drijven, daar zij hun voordeel hadden gedaan met de drukte op de markt, om hun koren mede te nemen zonder er voor betaald te hebben. Daarom legden zij hun zaak voor aan de hofmeester, opdat hij, er van verwittigd zijnde, hen tegen gevaar kon beschutten. Hierin gaven zij een degelijk bewijs van hun eerlijkheid, dat zij, voor zij nog beschuldigd waren van hun geld meegenomen te hebben, het teruggaven. Oprechtheid en vroomheid zullen ons behoeden, en zullen uitkomen als het licht van den morgen.
III. De hofmeester sprak hun moed in, vers 23. Vrede zij ulieden, vreest niet, hoewel hij niet wist wat zijn meester voorhad, begreep hij toch dat dit mannen waren, aan wie hij geen kwaad wenste te doen, en daarom zegt hij hun Gods voorzienigheid te zien in dat weerkeren van hun geld tot hen. Uw God en de God van Uw vader heeft u een schat in uw zakken gegeven. Merk op:
1. Dat hij hiermede toont hoegenaamd geen verdenking van oneerlijkheid jegens hen te koesteren, want van hetgeen wij door bedrog verkregen hebben, kunnen wij niet zeggen, dat "God het ons geeft."
2. Hiermede brengt hij hun verdere navraag er naar tot zwijgen. "Vraagt niet, hoe het daar gekomen is, Gods voorzienigheid heeft het u gebracht laat dit u genoeg zijn."
3. Uit hetgeen hij zei blijkt dat hij door het onderricht van zijn goede meester tot de kennis was gebracht van de ware God, de God van de Hebreeën. Het kan met recht verwacht worden, dat dienstboden in godsdienstige gezinnen alle geschikte gelegenheden waarnemen om met eerbied en ernst van God en Zijn voorzienigheid te spreken.
4. Hij vermaant hen op te zien tot God en Zijn voorzienigheid te erkennen in deze goede verrassing. Wij moeten ons verplicht erkennen aan God, als onze God en de God van onze vaderen, (een God in verbond met ons en hen) voor al onze voorspoed en al onze voordelen en de vriendelijkheid van onze vrienden, want ieder schepsel is datgene voor ons, en niets meer, wat God het voor ons doet zijn. De hofmeester bemoedigde hen niet slechts in woorden, maar in daden, want hij betoonde hun alle mogelijke goedheid en vriendelijkheid, totdat zijn meester kwam, vers 24.