Genesis 41:46-57
Merk hier op:
I. De opbouw van Jozefs gezin door de geboorte van twee zonen, Manasse en Efraïm, vers 50-52. In de namen, die hij hun gaf, erkende hij Gods voorzienigheid, die zulk een gelukkige keer in zijn lot had teweeggebracht.
1. God heeft hem "de moeite doen vergeten" Job 11:16. Wij behoren ons leed zó te dragen, als die niet weten, of Gods voorzienigheid misschien later zoveel vertroostingen en zegeningen zal schenken, dat zij ruim opwegen tegen alle leed en beproevingen, zodat wij ze, als zij geleden zijn, vergeten. Maar kon hij zo onnatuurlijk wezen, dat hij "het ganse huis zijns vaders vergat?" Hij bedoelt de onvriendelijkheid waarmee zijn broeders hem bejegend hebben of misschien de rijkdom en de eer, die hij van zijn vader had verwacht met het geboorterecht. Het gewaad, dat hij nu droeg, deed hem de veelvervige rok vergeten, die hij in het huis van zijn vader had gedragen.
2. God heeft hem "vruchtbaar gemaakt in het land van zijn verdrukking." Het is het land van zijn verdrukking geweest, en in zekere zin was het dit nog, want het was Kanaän, het land der belofte, niet. Zijn verwijdering van zijn vader was nog zijn verdrukking. Licht is soms voor de oprechte gezaaid in een dor land, maar toch, als God het is, die het zaait en het bevochtigt, dan zal het opwassen. De verdrukking der heiligen bevordert hun vruchtbaarheid. Efraïm betekent vruchtbaarheid, en Manasse vergetelheid, want deze twee gaan dikwijls samen, toen Jeschurun vet werd, heeft hij God vergeten, die hem gemaakt had.
II. De vervulling van Jozefs voorzeggingen. Farao had groot vertrouwen in de waarheid er van, daar hij, hetgeen door anderen niet aldus kon gevoeld worden-, misschien in zijn eigen geest een nauwkeurige overeenkomst gewaar werd tussen die voorzeggingen en zijn dromen, zoals tussen de sleutel en het slot, en de uitkomst bewees, dat hij niet bedrogen was. De zeven jaren van overvloed kwamen, vers 47 maar liepen ten einde, vers 53. Wij behoren het naderend einde te voorzien van de dagen van onze voorspoed, en daarom moeten wij ons niet veilig en gerust wanen in het genot van onze voorspoed, alsof die altijd zal duren, en niet traag of onachtzaam te zijn in het gebruik maken van onze goede gelegenheden. Jaren van overvloed zullen eindigen, en daarom: wat uw hand vindt om te doen, doe het, en vergader in de tijd dat vergaderd kan worden. "De morgenstond komt, en ook de nacht," Jesaja 21:12, de overvloed en ook de honger. De zeven jaren van honger begonnen aan te komen, vers 54. Zie aan welke toestands-veranderingen wij onderhevig zijn in deze wereld, en hoe nodig het voor ons is, het goede te genieten in dagen van voorspoed, maar in dagen van tegenspoed toe te zien, Prediker 7:14. Deze hongersnood schijnt niet slechts in Egypte geheerst te hebben maar ook in andere landen, "vruchtbaar land wordt tot zoute grond, om de boosheid van hen, die daar in wonen," Psalm 107:34. Hier wordt gezegd, dat in heel Egypteland brood was, dit bedoelt waarschijnlijk, niet alleen dat wat Jozef had opgekocht voor de koning maar ook dat, wat particulieren, op zijn voorbeeld en na het bekend worden van zijn voorzegging, als ook daartoe aangespoord door de regels van gewoon gezond verstand, hadden opgelegd.
III. De uitoefening van Jozefs ambt, hij werd getrouw bevonden, zoals een rentmeester behoort te wezen. 1. Hij was naarstig in het opleggen terwijl de overvloed aanhield, vers 48, 49. Hij, die aldus vergadert, is een verstandig zoon.
2. Hij was verstandig en zorgzaam in het uitgeven toen de honger kwam, en hield de marktprijzen laag, door tegen redelijke prijs uit zijn voorraad te verkopen. In zijn benauwdheid riep het volk tot Farao, zoals de vrouw tot de koning van Israël: "Help, heer koning," 2 Koningen 6:26, hij zond hen naar zijn schatmeester: Gaat tot Jozef. Zo wijst God in het Evangelie diegenen, die tot Hem komen om genade en vergeving, aan om tot de Heere Jezus te gaan, in wie alle volheid woont, en: doet wat Hij u zegt. Jozef heeft ongetwijfeld met wijsheid en rechtvaardigheid de prijs vastgesteld van het koren, dat hij verkocht, zodat Farao, voor wiens geld het was opgekocht, een redelijke winst kon hebben, en het land toch niet verdrukt werd, noch van de heersende schaarste misbruik werd gemaakt om onwettige winst te verkrijgen. Terwijl hij, "die koren inhoudt" als het duur is, in de hoop dat het nog duurder zal worden, hoewel het volk uit gebrek er aan omkomt-, er om gevloekt wordt, (en dat is geen vloek zonder oorzaak) "zal zegening zijn over het hoofd van de verkoper, die het aldus verkoopt," Spreuken 11:26. Laat de prijs bepaald worden door die gulden regel der rechtvaardigheid: te doen, zoals wij wensen, dat ons gedaan zal worden.