Genesis 41:17-32
I. Hier verhaalt Farao zijn droom. Hij droomde dat hij aan de oever stond van de Nijl, en zag hoe de koeien, de vette en magere, uit de rivier opkwamen. Want Egypteland had geen regen, zoals blijkt uit Zacheria 14:18 maar de oogst van het jaar hing af van de overstroming van de rivier, die op zekere tijd van het jaar plaatshad. Als de rivier zich tot vijftien of zestien ellen verhief, dan was er een goede oogst, en dus overvloed, maar indien zij niet hoger steeg dan tot twaalf of dertien, of daar nog beneden bleef, dan was er schaarste. Zie hoe veel wegen en middelen Gods voorzienigheid heeft om haar gaven uit te delen, maar, wat ook de tweede of ondergeschikte oorzaken mogen zijn, wij zijn en blijven afhankelijk van de eerste oorzaak, God, die elk schepsel voor ons maakt tot wat het voor ons is, hetzij regen of rivier.
II. Jozef legt zijn droom uit, en zegt hem dat die zeven jaren van overvloed betekent, die nu terstond zullen aanvangen, maar gevolgd zullen worden door evenveel jaren van hongersnood.
1. De twee dromen hebben dezelfde betekenis, maar de herhaling duidt het stellige en het onmiddellijke er van aan, alsmede het gewichtige van de zaak, vers 32. Aldus heeft God door twee onveranderlijke dingen de onveranderlijkheid van Zijn raad getoond, Hebreeën 6:17,18. Het verbond is verzegeld met twee sacramenten, in het één er van zijn beide brood en wijn, waarin de droom één is, en toch verdubbeld, omdat de zaak gewis is.
2. Maar de twee dromen hadden toch een verschillende verwijzing naar de twee dingen, waarin wij het meest overvloed en schaarste gewaar worden, namelijk gras en koren. De overvloed en de schaarste van gras voor het vee werden aangeduid door de vette en magere koeien, de overvloed en schaarste van koren ten dienste van de mens, door de volle en de dunne aren.
3. Zie aan welke veranderingen de genoegens en de gerieflijkheden van dit leven onderhevig zijn. Na grote overvloed kan grote schaarste komen, hoe vast onze berg-naar wij denken-ook, staat, als God het woord spreekt, zal hij bewogen worden. Wij kunnen er niet zeker van zijn, dat "de dag van morgen zal zijn als deze," het volgende jaar als dit jaar, "ja groter, geweldiger," Jesaja 56:12. Wij moeten leren gebrek te lijden, zowel als overvloed te hebben.
4. Zie de goedheid van God in het zenden van de zeven jaren van overvloed voor die van de honger, opdat dienovereenkomstig voorraad opgedaan zal worden. Aldus maakt God het een tegenover het andere. Prediker 7:14. Met hoe wondervolle wijsheid heeft de voorzienigheid van God, de grote bestuurder van de huishouding van de wereld, de zaken van dit talrijk gezin van den beginne tot nu toe geregeld! Grote verscheidenheid van jaargetijden is er geweest, en de aarde heeft nu eens meer en dan weer minder voortgebracht, maar neem nu de tijden door elkaar, en wat wonderbaarlijk was in het manna, is wat ook in de gewone loop van de voorzienigheid wordt waargenomen, "die veel verzamelt, heeft niets over, en die weinig verzamelt, ontbreekt niet," Exodus 16:18
5. Zie het vergankelijke van onze aardse genietingen. De grote vermeerdering van de jaren van overvloed ging geheel verloren, werd verzwolgen in de jaren van honger, en het overschot er van, dat zo groot scheen, was juist genoeg om de mensen in het leven te behouden, vers 29-31. "De spijzen zijn voor de buik, en de buik is voor de spijzen, maar God zal beide deze en die teniet doen," 1 Corinthiërs 6:13. Er is brood, dat "blijft tot in het eeuwige leven," en dat is de moeite waard "om voor te werken," Johannes 6:27. Zij, die van de dingen van deze wereld hun goed maken, zullen er weinig genot in vinden, bij de herinnering dat zij "het ontvangen hebben," Lukas 16:25.
6. Merk op, dat God dit van tevoren openbaarde aan Farao, die, als koning van Egypte, de vader moest wezen van zijn volk, en voorzieningen voor hen moest treffen. Overheidspersonen worden "herders" genoemd, die er voor moeten zorgen, niet slechts te heersen, maar te weiden, te voeden.