Genesis 40:5-19
Merk op:
I. De bijzondere voorzienigheid Gods, die het hoofd van deze gevangenen met buitengewone dromen vervulde, die een buitengewone indruk op hen maakten en de blijken droegen dat zij van God zijn gekomen en dat wel beide in één nacht. God heeft onmiddellijke toegang tot de geest der mensen, die Hij telkenmale als het Hem behaagt, dienstbaar kan maken aan Zijn eigen doeleinden en dat wel geheel buiten het willen of bedoelen van hen, die zulks aangaat. Alle harten zijn geopend voor Hem, en vanouds heeft Hij, niet alleen tot Zijn eigen volk, maar ook tot anderen, gesproken in dromen, Job 33:16. Toekomstige gebeurtenissen werden aldus voorzegd, maar op zeer duistere wijze.
Merk op:
II. De indruk door deze dromen op de gevangenen teweeggebracht, vers 6, zij waren ontsteld. Het was niet de gevangenis, die hen ontstelde, (daar waren zij tamelijk wel mee bekend, zij hebben er misschien ook wel een vrolijk leven geleid) maar de droom. God heeft meer dan één middel om de geest te ontstellen van hen, die ontsteld moeten worden. Er zijn zondaars, die stoutmoedig genoeg zijn onder uitwendige benauwdheden, en er zich niet tot nadenken of een betere gezindheid door willen laten brengen, maar God kan wel een middel vinden om hen te straffen, door hun geest verslagen te doen zijn en hun lasten op te leggen.
Merk op:
III. Jozefs grote tederheid en mededogen. Met grote belangstelling vroeg hij: Waarom zijn uwe aangezichten heden kwalijk gesteld? vers 7 Jozef was hun bewaarder, en in dat ambt betoonde hij zich zacht en vriendelijk. Het voegt ons kennis te nemen van de droefheid zelfs van hen, die onder ons opzicht staan. Jozef was hun medegenoot in verdriet, hij was nu hun medegevangene, en ook hij heeft dromen gehad. Gemeenschap in lijden draagt ertoe bij om medelijden te wekken met hen die lijden. Laat ons hieruit leren:
1. Belangstelling te gevoelen voor hen, die in smart en benauwdheid zijn, naar de reden te vragen van het treurig gelaat van onze broeders, wij moeten dikwijls letten op de tranen der verdrukten, Prediker 4:1. Voor hen, die in benauwdheid zijn, is het een verlichting als men er notitie van neemt.
2. Naar de reden van onze eigen smart te vragen. "Waarom is mijn aangezicht ontsteld? Is er reden voor? Een goede reden? Is er, wat het ook zij, dat mij treurig maakt, geen reden tot troost, die er tegen opweegt? Waarom buigt gij u neer, o mijne ziel?"
Merk op:
IV. De dromen zelf, en hun uitlegging. Wat deze gevangenen droevig maakte, was dat zij, in hechtenis zijnde, zich niet tot de Egyptische wijzen konden wenden, die voorgaven dromen te kunnen uitleggen, daar is, hier in de gevangenis, niemand, die hem uitlegge, vers 8. Er zijn uitleggers die zij, die in de gevangenis en in droefheid zijn, bij zich moeten wensen te hebben, om hen te onderrichten in het voornemen en de bedoeling van Gods voorzienigheid. Elihu zinspeelt op de zodanigen als hij zegt: "Is er een uitlegger, een uit duizend om de mens zijn rechte plicht te verkondigen," Job 33:23, uitleggers om hun geweten tot gids te zijn, niet om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Hierop zegt Jozef hun, waarheen zij de blik hebben te richten. Zijn de uitleggingen niet Godes?. Hij bedoelt de God, die hij aanbidt, tot wiens kennis hij hen hierdoor wenst te leiden. Het is Gods kroonrecht toekomstige dingen te voorzeggen, Jesaja 46:10. Hij moet daarom de lof ontvangen voor al de gaven van vóórzien, die de mensen hebben, de gewone en de buitengewone. Jozef tekent al dadelijk protest aan tegen zijn eigen lof, en draagt er zorg voor, dat de eer en heerlijkheid aan God worde toegeschreven, evenals Daniël, Hst.2:30. Jozef bedoelt te zeggen: "Indien de uitleggingen Godes zijn, dan is Hij vrij om het vermogen ertoe mee te delen aan wie Hij wil, en dus: verhaal mij uw dromen." Nu was:
a. de droom van de schenker een gelukkige voorzegging van zijn bevrijding en wederherstelling in zijn ambt, en dat wel binnen drie dagen, en aldus heeft Jozef hem verklaard vers 12, 13. Waarschijnlijk placht hij de volle rijpe druiven in Farao's beker terstond uit te drukken, daar men in die eenvoudige tijd nog niet bekend was met de kunst om de wijn te klaren.
Merk op, dat Jozef de schenker zijn bevrijding uit de gevangenis voorzeide, maar dat hij zijn eigen bevrijding niet voorzag. Lang tevoren had hij gedroomd van zijn eigen eer, en dat zijn broeders zich voor hem zouden buigen, de herinnering daaraan moet hem nu ondersteunen, zonder dat hem nieuwe ontdekkingen worden gedaan. De visioenen ter vertroosting der heiligen zijn nog voor een lange tijd, en strekken zich tot ver heen terwijl het voorzien voor anderen, zoals dit hier, slechts drie dagen tevoren is.
b. De droom van de overste van de bakkers voorspelde zijn smadelijke dood, vers 18, 19. De gunstige uitlegging van de droom van de andere moedigde hem aan om de zijne te verhalen. Zo zullen geveinsden, als zij horen van de goede dingen, die aan goede Christenen beloofd zijn, daar wel gaarne in willen delen, hoewel zij part noch deel aan de zaak hebben. Het was Jozefs schuld niet, dat hij hem geen betere tijding bracht, leraren zijn slechts uitleggers, zij kunnen de zaak niet anders maken dan zij is, als zij dus getrouw zijn en hun boodschap onaangenaam blijkt te wezen, dan is dit hun schuld niet. Slechte dromen kunnen niet gunstig uitgelegd worden.
Merk op:
V. Hoe Jozef gebruik maakt van deze gelegenheid, om zich een vriend aan het hof te verwerven, vers 14, 15. Met bescheidenheid verzoekt hij om de gunst van de schenker wiens bevordering hij heeft voorzegd: gedenk mijner bij uzelf, wanneer het u wel gaan zal. Hoewel de achting, aan Jozef bewezen, de gevangenis zo licht en draaglijk voor hem maakte als een gevangenis wezen kan, zou toch niemand er hem om kunnen laken, dat hij naar vrijheid verlangde. Zie hier:
1. Welk een bescheiden voorstelling hij geeft van zijn eigen zaak, vers 15. Hij spreekt niet met afkeuring van zijn broeders, die hem hadden verkocht, hij zegt slechts: ik ben diefelijk ontstolen uit der Hebreeën land dat is: onrechtvaardig van daar weggezonden, wie dit gedaan heeft doet er niet toe. Hij spreekt ook geen boze woorden, om het onrecht, dat hem aangedaan is in zijn gevangenzetting, door zijn meesteres, die zijn vervolgster, en zijn heer, die zijn rechter was, maar met zachtmoedigheid verklaart hij zijn onschuld: ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in deze kuil gezet hebben. Als wij er toe geroepen worden, om onszelf te rechtvaardigen, dan moeten wij het zoveel mogelijk zorgvuldig vermijden kwaad te spreken van anderen. Laat het ons genoeg zijn zelf onze onschuld te bewijzen, en niet er op uit zijn om anderen hun schuld te verwijten.
2. Welk een bescheiden verzoek hij doet aan de schenker: "Gedenk mijner. Bewijs mij een vriendelijkheid, als het in uw macht is." En zijn bijzonder verzoek luidt: maak dat ik uit dit huis kom. Hij zegt niet: "Breng mij in Farao's huis, bezorg mij een plaats aan het hof." Neen, hij verzoekt om bevrijding, niet om bevordering. In Zijn voorzienigheid bestemt God soms de grootste eer voor hen, die haar het minst verwachten of begeren.