Genesis 40:1-4
De geschiedenis van de overste der schenkers en de overste der bakkers van Farao zou in de Schrift niet vermeld zijn, indien zij niet dienstbaar geweest was voor Jozefs verhoging. De wereld bestaat ter wille van de kerk, en haar ten goede wordt zij geregeerd.
Merk op:
1. Twee hoge beambten van Farao's hof hadden gezondigd tegen de koning en werden daarom in de gevangenis overgegeven. Hoge plaatsen zijn glibberige plaatsen, niets is meer onzeker dan de gunst van vorsten. Zij, die hun geluk vinden in Gods gunst en Zijn dienst tot hun levenswerk maken, zullen ondervinden dat Hij een betere meester is dan Farao was, niet zo uiterst streng om alles op te merken wat zij voor verkeerds doen. Men heeft velerlei gissingen gedaan omtrent het misdrijf van deze dienaren van Farao. Sommigen denken dat zij in niets minder bestond dan in een aanslag tegen zijn leven, anderen dat zij in niets meer bestond, dan het toevallig neerstrijken van een vlieg in zijn beker en een weinigje zand in zijn brood. Wat het nu ook was, door Gods voorzienigheid is het het middel geworden om hen in de gevangenis te brengen, waar Jozef was.
2. De overste der trawanten zelf, namelijk Potifar, droeg aan Jozef de wacht en de zorg voor hen op, vers 4, hetgeen aanduidt dat hij nu met hem verzoend begon te worden, en wellicht reeds overtuigd was van zijn onschuld, hoewel hij hem, uit vrees om zijn vrouw te mishagen niet in vrijheid durfde stellen. Johannes de Doper moet om aan Herodias te behagen, onthoofd worden.