Genesis 3:6-8
Hier zien wij waar Eva's onderhandeling met de verzoeker op uitliep, Satan bereikt ten laatste zijn doel, door zijn listen heeft hij de vesting genomen. God heeft de gehoorzaamheid van onze eerste ouders op de proef gesteld door hun de boom van de kennis te verbieden, en Satan is het, om zo te zeggen, eens met God, stemt in met de proefneming, en juist daarmee onderneemt hij het om hen tot overtreding te verleiden. Hier zien wij hoe hij heeft overmocht daar God dit om wijze en heilige doeleinden heeft toegelaten.
I. Wij hebben hier de beweegredenen, die hen tot de overtreding gebracht hebben. De vrouw, door des verleiders listiger toeleg bedrogen, was de eerste in de overtreding, 1 Timotheus 2:14. Zij was de eerste in de schuld, en het was het gevolg van haar overlegging, of liever van haar onnadenkendheid.
1. Zij zag geen kwaad in deze boom, niet meer dan in de anderen. Van al de overige vruchtbomen, waarmee de hof van Eden beplant was, was gezegd, dat zij begeerlijk voor het gezicht, en goed ter spijze waren Hoofdstuk 2:9. Nu was deze in haar oog gelijk aan de anderen, hij scheen even goed ter spijze als iedere andere boom, en in de kleur van zijn vruchten zag zij niets, dat dood of gevaar dreigde. Hij was even begeerlijk voor het gezicht als de anderen, en dus: "Wat kwaad kon het hun doen? Waarom zou die boom hun meer verboden zijn dan de anderen?" Als de gedachte post vat, dat er in verboden vrucht niet meer kwaad is dan in andere vruchten, dan ligt de zonde aan de deur, en draagt Satan de overwinning weg. Ja hij scheen haar misschien nog beter ter spijze dan de anderen, aangenamer van smaak, voedzamer voor het lichaam en in haar oog was hij begeerlijker dan al de anderen. Dikwijls vallen wij in een strik door een ongeregelde begeerte naar bevrediging van onze zinnen. Of, indien er al niets meer uitlokkends in was dan in de anderen, werd die vrucht toch zo veel te meer begeerd, wijl zij verboden was. Of dit nu al of niet zo in haar was, wij bevinden, dat er in ons (dat is: in ons vlees, in onze verdorvene natuur) een zonderlinge geest van tegenspraak is, Nitimur in vetitum- Wij begeren het verbodene.
2. Zij stelde zich voor, dat erin deze boom meer kracht was dan in al de overigen, dat het een boom was, die niet slechts niet gevreesd behoefde te worden, maar dat hij begeerlijk was om verstandig te maken, en daarin al de andere bomen overtrof. Dit zag zij, dat is: zij bemerkte en begreep het door hetgeen de duivel haar gezegd had, en sommigen denken, dat zij de slang van die boom zag eten, en dat hij haar zei, dat hij daarom het vermogen van de spraak en van de rede had verkregen, waaruit zij toen zijn kracht begreep om verstandig te maken, en bewogen was om te denken: "Als hij een redeloos dier verstandig kan maken, waarom zou hij dan een redelijk wezen niet Goddelijk kunnen maken?" Zie hier hoe de begeerte van onnodige kennis onder het verkeerd begrip van wijsheid, schadelijk en verwoestend blijkt te zijn voor velen. Onze eerste ouders, die zo veel wisten, hebben dit niet geweten: dat zij genoeg wisten. Christus is een Boom, begeerlijk om verstandig te maken, Colossenzen 2:3, 1 Corinthiërs 1:30. Laten wij door het geloof ons met Hem voeden, teneinde wijs te worden tot zaligheid. In het hemelse paradijs zal de boom van de kennis geen verboden boom zijn, want daar zullen wij kennen, gelijk wij gekend zijn. Laat ons daarom verlangen daar te zijn, en intussen "niet wandelen in dingen, die ons te groot en te wonderlijk zijn," noch begeren "wijs te zijn boven hetgeen geschreven is."
II. De sporten op de ladder van de zonde, geen sporten opwaarts, maar afwaarts naar de afgrond, naar de hel. 1. Zij zag. Zij had haar ogen moeten afwenden om geen ijdelheid te zien, maar zij leidt zich in verzoeking door met genoegen op de verboden vrucht te zien. Zeer veel zonde komt tot ons in door het oog. Door deze vensters werpt Satan zijn vurige pijlen, die het hart treffen en vergiftigen. Het oog doet het hart aan met schuld, zowel als met smart. Laat ons daarom met de Godvruchtige Job een verbond maken met onze ogen, om datgene niet te zien hetwelk ons in gevaar brengt om het te begeren, Spreuken 23:31, Mattheus 5:28. Laat de vreze Gods ons altijd een deksel van de ogen zijn, Hoofdstuk 20:16.
2. Zij nam. Het was haar eigen daad en handeling. De duivel heeft de vrucht niet genomen en in haar mond gelegd tegen haar zin en wil in, maar zij zelf nam haar. Satan kan verzoeken, maar niet dwingen, niet noodzaken, hij kan ons bewegen ons zelf nederwaarts te werpen, maar hij kan ons niet neerwerpen Mattheus 4:6. Eva's nemen was stelen, zoals Achan's nemen van het verbannene, nemende hetgeen, waarop zij geen recht had. Gewis moet zij het met bevende hand genomen hebben.
3. Zij at. Toen zij zag, was zij misschien niet voornemens te nemen, of, toen zij nam, niet voornemens te eten, maar het eindigde er mede. De weg van de zonde gaat afwaarts, de mens kan op dat hellend vlak niet staan blijven, wanneer hij wil. Het begin er van is als een instromen van wateren door een wijde breuk, tot welke men niet kan zeggen: Tot hiertoe zult gij komen en niet verder. Daarom zullen wij wijs doen, als wij het eerste denkbeeld van de zonde reeds onderdrukken. Onderdruk het kwaad reeds in de knop.
4. Zij gaf ook haar man met haar. Hij is waarschijnlijk niet bij haar geweest, toen zij door de slang verzocht werd. Indien hij wèl bij haar geweest was, hij zou voorzeker tussenbeide getreden zijn om de zonde te voorkomen, maar hij kwam tot haar, nadat zij gegeten had en zij overmocht bij hem, dat hij ook zou eten, want het is gemakkelijker te leren wat slecht is, dan te onderwijzen wat goed is. Zij gaf hem de vrucht, hem overredende met dezelfde argumenten, die de slang bij haar had gebruikt, daaraan nog toevoegende, dat zij er van gegeten had, en haar zo weinig dodelijk vond, dat zij haar juist heel bijzonder aangenaam achtte, gestolen wateren zijn zoet. Zij gaf haar aan hem onder schijn van vriendelijkheid, zij wilde die heerlijke, saprijke vruchten niet alleen eten, maar in werkelijkheid was het de grootste onvriendelijkheid, die zij hem kon aandoen. Of misschien gaf zij hem de vrucht, opdat zo zij schadelijk mocht blijken, hij in haar ellende zou delen, hetgeen wezenlijk een zeer onvriendelijk aanzien heeft, en toch wel zonder moeite verondersteld kan worden als gekomen te zijn in het hart van een vrouw die verboden vruchten gegeten had. Zij, die zich zelf kwaad hebben gedaan, zijn gewoonlijk gaarne bereid om ook anderen over te halen hetzelfde te doen. Evenals de duivel, was Eva niet zodra een zondares, of zij was ook een verleidster.
5. Hij at, overreed en overwonnen door het aandringen van zijn vrouw. Het is nutteloos te vragen: "Wat zou er het gevolg van zijn geweest, indien Eva alleen had gezondigd?" Gods wijsheid-daarvan zijn wij zeker-zou de moeilijkheid naar recht en billijkheid hebben opgelost, maar helaas! zo stond de zaak niet: ook Adam heeft gegeten. "En welk groot kwaad stak daar nu in?" vraagt het verdorven, vleselijk verstand. Welk kwaad? Er stak ongeloof in aan het woord van God, en vertrouwen in het woord van de duivel, een begeerte naar de eer, die niet van God komt, afgunst van Gods volmaaktheden, en een toegeven aan de lusten van het lichaam. Door de boom des levens te veronachtzamen, van welks vruchten hem vergund was te eten, en te eten van de boom van de kennis, die hem verboden was, heeft hij duidelijk minachting aan de dag gelegd voor de gunsten, die God hem geschonken had, en voorkeur gegeven aan die, welke God niet geschikt voor hem achtte. Hij wilde zijn eigen lotsbestemmer, zijn eigen meester zijn hij wilde hebben wat hem behaagde, en doen waar hij lust in had, in een woord, zijn zonde was ongehoorzaamheid, Romeinen 5:19, ongehoorzaamheid aan een duidelijk, gemakkelijk na te komen, en uitdrukkelijk gebod, waarvan hij waarschijnlijk wel wist, dat het een gebod was om hem op de proef te stellen. Hij zondigt tegen grote kennis, tegen vele zegeningen en gunsten, tegen licht en liefde, het helderste licht en de dierbaarste liefde, waar ooit een zondaar tegen gezondigd heeft. Hij had geen verdorven natuur in zich, die hem er toe bracht, maar een vrijheid van wil, die niet tot slavernij was gebracht, hij was in zijn volle kracht, niet verzwakt of verminderd. Hij is spoedig ter zijde afgeweken. Sommigen denken, dat hij viel op de dag toen hij gemaakt was, maar ik zie niet in, hoe dit er mee bestaanbaar is, dat God aan het einde van die dag alles zeer goed verklaard heeft.
Anderen denken, dat hij op de sabbatdag gevallen is, hoe beter de dag, hoe slechter de daad. Zeker is het, dat hij zijn oprechtheid slechts zeer kort bewaard heeft, in waarde zijnde volhardde hij niet in die staat. Maar wat zijn zonde het meest verzwaarde, was dat hij geheel zijn nageslacht in de zonde verwikkeld, en daardoor in het verderf gestort heeft. Daar God hem gezegd had, dat zijn geslacht de aarde zal vervullen, moet hij voorzeker geweten hebben, dat hij als openbaar persoon stond, en dat zijn ongehoorzaamheid noodlottig zou zijn voor geheel zijn zaad, en indien dit zo was, dan was het voorzeker het grootste verraad, zowel als de grootste wreedheid, die ooit gepleegd was. De gehele menselijke natuur in onze eerste Ouders vervat zijnde, kon zij van nu voortaan slechts door hen overgebracht worden onder een smet van schuld en van oneer en een erfelijke ziekte van zonde en bederf. Kunnen wij dan zeggen, dat er in Adams zonde weinig kwaad was gelegen?
III. De onmiddellijke gevolgen van de overtreding. Schaamte en vrees grepen de misdadigers aan, `ipso facto-door de daad zelf," deze zijn met de zonde in de wereld gekomen en gaan er nog altijd mee vergezeld.
1. Ongezien werden zij door schaamte bevangen, vers 7, waar wij opmerken:
a. De sterke overtuiging van zonde, van kwaad, in hun eigen hart. Hun beider ogen werden geopend. Dat is niet bedoeld van hun lichamelijke ogen, die waren te voren reeds geopend, zoals hieruit blijkt, dat de zonde er door in kwam. Jonathans ogen werden verlicht door verbodene spijze te nuttigen, 1 Samuël 14:27, dat is: hij werd er door verkwikt en versterkt, maar zo was het niet met de hunnen. Ook is het niet bedoeld van enigerlei vordering, die zij maakten in ware kennis, maar de ogen van hun geweten werden geopend, hun hart sloeg hen om hetgeen zij gedaan hadden Thans, nu het te laat is, zien zij de dwaasheid in van verboden vrucht te eten. Zij zagen het geluk, de zaligheid, waarvan zij nu vervallen waren, en de ellende, waarin zij zich hadden gestort. Zij zagen, dat een liefderijk God getergd was, dat Zijn genade en gunst waren verbeurd, dat Zijn beeld en gelijkenis in hen verloren, hun heerschappij over de dieren weg was. Zij zagen hun natuur verdorven ontaard, zij gevoelden een ontsteltenis in hun eigen hart, waarvan zij zich te voren niet bewust zijn geweest. Zij zagen een wet in hun leden, strijd voerende tegen de wet huns gemoeds, en hen gevangen nemende tot zonde en toorn. Zij zagen, evenals Bileam, toen "zijn ogen geopend waren," Numeri 22:31, de engel des Heeren, staande in de weg, en zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, en misschien zagen zij de slang, die hen bedrogen had, hen beschimpende. De tekst zegt ons: zij werden gewaar, dat zij naakt waren: dat is: a. Dat zij ontbloot waren, beroofd van al de eer en genietingen van hun paradijsstaat, en blootgesteld aan al de ellende, die met recht van een vertoornd God verwacht kon worden, zij waren weerloos, hun bescherming was van hen geweken,
b. Dat zij zich schaamden, zich voor altijd schaamden voor God en de engelen. Zij zagen zich ontdaan van al hun versierselen en eretekenen, vervallen van hun waardigheid, in de hoogste mate onteerd, blootgesteld aan de minachting en smaad van hemel en aarde, en van hun eigen geweten. Zie hier nu:
Ten eerste. Welk een oneer en verontrusting de zonde is, zij sticht onheil overal, waar zij wordt toegelaten, zet de mensen tegen elkaar op, verstoort hun vrede en bederft al hun genot. Vroeg of laat zal zij schaamte brengen, hetzij de schaamte van oprecht berouw, die eindigt in heerlijkheid, of die schande en eeuwige versmaadheid, waartoe de goddelozen zullen ontwaken op de grote dag, zonde is een versmaadheid voor ieder.
Ten tweede. Welk een bedrieger Satan is. Hij zei tot onze eerste ouders, toen hij hen bedroog, dat hun ogen geopend zouden worden, en dat waren zij ook, maar niet zoals zij het begrepen, zij werden geopend voor hun schande en hun leed, niet tot hun eer en voordeel. De boosaardigste, schandelijkste leugenaars verontschuldigen zich dikwijls hiermede, dat zij slechts dubbelzinnige woorden gebruiken, maar God zal die verontschuldiging niet aannemen.
a. Het armzalige hulpmiddel, waarmee zij hun overtuiging zochten te bedekken en er zich tegen te wapenen. Zij hechtten, of vlochten vijgenboom-bladeren te zamen, en, om hun schande, ten dele ten minste, voor elkaar te bedekken, maakten zij zich schorten. Zie hier wat gemeenlijk de dwaasheid is van hen, die gezondigd hebben.
a. Zij zijn meer bezorgd om hun aanzien voor de mensen op te houden, dan om van God vergeving te erlangen. Zij zijn traag om hun zonde te belijden, en zeer ijverig om haar te bedekken, zoveel zij slechts kunnen. "Ik heb gezondigd, eer mij toch."
b. Dat de verontschuldigingen, die de mensen aanvoeren om hun zonde te bedekken of te verkleinen, ijdel en beuzelachtig zijn, zoals de schorten van vijgenbladeren, zij maken de zaak niet beter, maar wel erger, de schande, aldus bedekt, wordt nog schandelijker, maar aldus zijn wij allen geneigd, "gelijk Adam onze overtredingen te bedekken," Job 31:33.
2. Na het eten van de verbodene vrucht werden zij terstond door vrees bevangen, vers 8.
Merk hier op. a. Wat de oorzaak was van hun vrees: Zij hoorden de stem van de Heere God wandelende in de hof aan de wind des daags. Het was de nadering van de Rechter, die hen verschrikte, en toch kwam Hij op zo'n wijze, dat alleen schuldige gewetens er beducht voor konden zijn. Het wordt verondersteld, dat Hij in menselijke gedaante kwam, en dat Hij, die toen de wereld oordeelde, dezelfde was, die de wereld ten laatsten dage zal oordelen, nl. de Man, die God daartoe verordend heeft. Hij verscheen hun nu (naar het schijnt) in geen andere gestalte of gelijkenis, dan die, waarin zij Hem gezien hebben, toen Hij hen in het paradijs zette, want Hij kwam om hen van zonde te overtuigen en te verootmoedigen, niet om hen te ontstellen en te verschrikken. Hij kwam in de hof, niet onmiddellijk voor hun ogen nederdalende van de hemel, zoals later op de berg Sinaï (hetzij de dikke duisternis tot Zijn tent makende of het vlammende vuur tot Zijn wagen) maar Hij kwam in de hof als nog altijd bereid zijnde om gemeenzaam met hen te wezen. Hij kwam wandelende, niet lopende, noch rijdende op de vleugelen van de wind, maar bedaard wandelende, traag zijnde tot toorn, ons lerende, om, al zijn wij ook nog zo getergd en vertoornd, niet driftig en haastig te zijn, niet roekeloos, maar met bedachtzaamheid te spreken en te handelen. Hij kwam in het koele van de dag, niet in de nacht, als alle verschrikking dubbel schrikwekkend is, noch op het hete van de dag, want Hij kwam niet in de hittigheid van Zijn toorn. "Grimmigheid is bij Hem niet," Jesaja 27:4. Hij is hen ook niet plotseling overvallen, want zij hoorden Zijn stem op een afstand, hun kennis gevende van Zijn komst, en waarschijnlijk was het een stem, als het suizen van een zachte stilte, zoals die met welke Hij kwam naar Elia. Sommigen denken, dat zij Hem hoorden, bij zich zelf sprekende over hun zonde, en het oordeel, dat nu over hen uitgesproken zou worden, wellicht zoals Hij deed betreffende Israël, Hosea 11:8, 9. Hoe zou Ik u overgeven? Of liever zij hoorden, dat Hij hen riep, en dat Hij tot hen kwam.
b. Wat het bewijs en de uitwerking was van hun vrees. Zij verborgen zich voor het aangezicht van de Heere God. Een treurige verandering! Eer zij gezondigd hadden, zouden zij, als zij de stem van de Heere God gehoord hadden tot hen komende, Hem tegemoet zijn gelopen, en met ootmoedige blijdschap Zijn genaderijk bezoek welkom hebben geheten. Maar nu was het anders. God was een verschrikking voor hen geworden, hun eigen geweten beschuldigde hen, en stelde hun hun zonde voor in haar ware kleuren, hun vijgenbladeren waren hun niet nut, deden hun geen dienst. God was als een vijand tegen hen uit getogen, en de gehele schepping was in oorlog met hen, en zij kenden nu nog geen Middelaar tussen hen en een vertoornd God, zodat hun niets overbleef dan een schrikkelijke verwachting des oordeels. In deze vreze verborgen zij zich onder de struiken, overtreden hebbende, vluchtten zij. Zich schuldig wetende, durfden zij geen verhoor te ondergaan, maar vloden voor de gerechtigheid. Zie hier:
a. De leugen van de verleider, en het bedrog van zijn verzoekingen. Hij beloofde hun veiligheid, en nu kunnen zij niet eens denken veilig te wezen. Hij zei, dat zij niet zouden sterven, en toch zijn zij nu genoodzaakt te vluchten om huns levens wil. Hij beloofde hun, dat zij bevorderd, verhoogd zouden worden, maar zij zien zich vernederd, verlaagd, nooit schenen zij zich zelf zo klein toe als nu. Hij beloofde hun, dat zij kennis zouden hebben, maar zij zien zich bedremmeld en in verwarring, en weten niet eens waar zij zich zullen verbergen. Hij beloofde hun, dat zij als goden zullen zijn, groot en stoutmoedig, maar zij zijn als betrapte misdadigers, sidderend, bleek, vurig wensende te kunnen ontkomen: zij wilden geen onderdanen zijn, en nu zijn zij gevangenen.
b. De dwaasheid van zondaren, om het mogelijk en begeerlijk te achten om zich voor God te verbergen: kunnen zij zich verbergen voor de Vader van de lichten? Psalm 139:7. Jeremia 23:24. Willen zij zich onttrekken aan de Bron des lichts, die alleen hulp en zaligheid kan geven? Jona 2:8.
c. De vrees, die gepaard gaat met de zonde, die vrees en ontzetting voor Gods verschijning, de beschuldigingen van het geweten, het naderen van benauwdheid, de aanvallen van de mindere schepselen en de vreze voor de dood, die aan alle mensen gemeen is, het is alles het gevolg van de zonde. Adam en Eva, die deelgenoten waren in de zonde, waren ook deelgenoten in de schaamte en de vrees, die ervan vergezeld gingen, en ofschoon zij hand aan hand gingen (die handen waren nog zo kort te voren ineen gelegd in hun huwelijk) konden zij elkaar toch niet versterken of vertroosten, ja voorwaar! moeilijke vertroosters zijn zij voor elkaar geworden!