Genesis 3:9-10
Wij hebben hier de aanklacht tegen deze vluchtelingen voor de rechtvaardige Rechter van hemel en aarde, die, hoewel Hij aan geen formaliteiten is gebonden, toch met alle mogelijke eerlijkheid te werk gaat, opdat Hij rechtvaardig zij in Zijn spreken.
I. De verrassende vraag, waarmee God Adam vervolgde en staande hield: Waar zijt gij? Niet alsof God niet wist waar hij was, maar aldus wil Hij de rechtshandeling tegen hem aanvangen. Sommigen maken het tot een klagende vraag. "Arme Adam, wat is er van u geworden !" "Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! Gij, die Mijn vriend en gunstgenoot zijt geweest, voor wie Ik zo veel gedaan heb, en nog zo veel meer gedaan zou hebben, hebt gij Mij verlaten en u zelf in het verderf gestort? Is het hiertoe gekomen?" Maar het is veeleer een verwijtende vraag, om hem van zonde te overtuigen en te verootmoedigen. Waar zijt gij? Niet: In welke plaats, maar: In welk een toestand zijt gij. "ls dit alles wat gij verkregen hebt door van de verbodene vrucht te eten?"
Merk op: a. Zij, die van God zijn afgedwaald, behoren met ernst na te gaan waar zij nu zijn. Zij zijn ver weg van alle goed, in het midden hunner vijanden, in de slavernij van Satan, en op de brede weg naar het verderf. Dit navragen naar Adam kan beschouwd worden als een genaderijk achternagaan van hem ten einde hem weer te brengen. Indien God hem niet geroepen had, ten einde hem weer terug te brengen, dan zou zijn toestand even hopeloos zijn geweest als die van de gevallen engelen. Dit verloren schaap zou eindeloos voort gedwaald zijn, indien de goede Herder het niet had gezocht, om het weer te brengen, en er hem daarom aan herinnerd had, waar hij was, daar namelijk, waar hij niet moest wezen, en waar hij noch gerust noch gelukkig kon zijn.
b. Indien de zondaars slechts willen bedenken waar zij zijn, dan zullen zij niet rusten vóór zij wederkeren tot God.
2. Het sidderende antwoord, dat Adam gaf op deze vraag, vers 10. Ik hoorde Uw stem in de hof, en ik vreesde. Hij bekent zijn schuld niet, en toch bekent hij haar in werkelijkheid, door zijn schaamte en zijn vrees te bekennen. Maar het is de gewone fout en dwaasheid van hen, die een boze daad gedaan hebben, om als zij deswege ondervraagd worden, niet meer te bekennen, dan hetgeen zó openbaar is, dat zij het niet kunnen ontkennen. Adam was bevreesd, omdat hij naakt was, niet slechts ongewapend, en daarom bevreesd om met God te strijden, maar ongekleed, en daarom zo zeer bevreesd om voor Hem te verschijnen. Wij hebben reden te vrezen, om tot God te naderen, als wij niet bekleed zijn met, en beschut zijn door de gerechtigheid van Christus, want niets anders dan deze zal ons tot wapenrusting kunnen strekken. Laat ons daarom `de Heere Jezus Christus aandoen," en dan met nederige vrijmoedigheid toegaan.