Genesis 39:1-6
Hier is:
I. Jozef gekocht, vers 1. Hij, die hem kocht had, wat hij ook voor hem betaald mocht hebben, een goede koop aan hem want hij was beter dan de koophandel van zilver. De Joden hebben een spreekwoord: "Indien de wereld slechts de waardij kende van Godvruchtige mensen, zij zou hen met paarlen omheinen." Hij werd verkocht aan een beambte van Farao bij wie hij bekend kon worden met openbare personen en zaken, en aldus geschikt gemaakt voor het hoge ambt, dat hij later bekleden zal. Waar God de mensen voor bestemt daar zal Hij hen voorzeker op de een of andere wijze ook voor bekwaam maken. Gods voorzienigheid moet erkend worden zelfs in de beschikking en het bestuur van dienstboden waaruit soms iets groots en gewichtigs zal voortkomen.
II. Jozef gezegend, wonderbaarlijk gezegend zelfs in het huis der dienstbaarheid.
1. God maakte hem voorspoedig, vers 2, 3. Misschien waren de zaken in Potifars gezin tevoren merkbaar achteruit gegaan, maar sedert de komst van Jozef was er plotseling een grote verandering in gekomen. Hoewel hem naar wij kunnen onderstellen, in het eerst het allergeringste werk te doen werd gegeven, bleek ook daar weldra zijn vernuft en zijn naarstigheid in, en er rustte een bijzondere zegen des hemels op, en naarmate hij hoger klom in zijn dienst, werd dit hoe langer hoe duidelijker. Zij die wijsheid en genade hebben, bezitten datgene wat hun niet ontnomen kan worden. Jozefs broeders hadden hem beroofd van zijn veelvervige rok, maar van zijn wijsheid en deugd hebben zij hem niet kunnen beroven. Zij, die ons kunnen scheiden van onze vrienden, kunnen de genadige tegenwoordigheid van onze God toch niet van ons wegnemen. Toen geen van zijn bloedverwanten bij Jozef was, was zijn God toch bij hem, zelfs in het huis van de Egyptenaar. Jozef was gescheiden van zijn broeders maar niet van zijn God, verbannen uit het huis van zijn vader, maar de Heere was met hem, en dat vertroostte hem. Het is Gods tegenwoordigheid met ons, die alles wat wij doen voorspoedig maakt. Zij, die voorspoed willen hebben, moeten dus God tot hun vriend maken, en zij, die voorspoed hebben, moeten er dus God de eer voor geven.
2. Zijn meester bevorderde hem, langzamerhand maakte hij hem tot bezorger van zijn huis, of hofmeester, vers 4. Door naarstigheid en vlijt komt men het zekerst en veiligst tot bevordering en voorspoed. "Hebt gij een man gezien, verstandig en getrouw, en die vaardig is in zijn werk? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden," eindelijk, en "niet altijd voor het aangezicht der ongeachte lieden." Het is verstandig van hen, die in enigerlei positie van macht zijn, om diegenen te steunen en in dienst te nemen, met wie het blijkt dat God is, Psalm 101:6. Potifar wist wel wat hij deed, toen hij alles wat hij had in Jozefs hand liet, want hij wist, dat het dan beter zou gedijen dan wanneer hij het in zijn eigen hand hield. Die getrouw is in het weinige heeft een goed vooruitzicht om over veel gezet te worden, Mattheus 25:21. Christus volgt deze regel met Zijn dienstknechten. Het is voor een meester een grote rust, om diegenen in dienst te hebben, die betrouwbaar zijn. Potifar was zó tevreden met Jozefs gedrag, dat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at, vers 6. De dienstknecht had al de moeite en zorg voor de bezitting, de meester had er alleen het genot van, een voorbeeld, dat door geen meester nagevolgd moet worden, tenzij hij er zeker van kan wezen, dat hij een dienstknecht heeft, die in alle opzichten als Jozef is. 3. God betoonde gunst aan zijn meester om zijnentwil, vers 5, Hij zegende des Egyptenaars huis, hoewel hij een Egyptenaar, een vreemdeling, was voor de ware God, om Jozefs wil, en evenals Laban heeft hij dit zelf aangenomen. Hoofdstuk 30:27. Godvruchtige mensen zijn een zegen voor de plaats waar zij wonen, zelfs goede dienstboden kunnen dit zijn, hoewel zij gering en weinig in tel zijn. De voorspoed der goddelozen is om de een of andere reden, of op de een of andere wijze, ter wille van de Godvruchtigen. Hier was een goddeloos gezin gezegend om de wil van een Godvruchtige dienstknecht, die er zich in bevond.