Genesis 31:36-42
Zie in deze verzen
1. De kracht van de terging, die tot toorn prikkelt. Jakob's natuurlijke geaardheid was zacht en kalm, en de genade had die eigenschap nog in hem doen toenemen, hij was een gelijkmoedig en eenvoudig man, en toch werd hij door Labans onredelijke houding jegens hem zo tot toorn geprikkeld, dat hij zich enigszins heftig tegen hem uitlaat, vers 36, 37. Zijn twisten met Laban, hoewel enigszins te verontschuldigen, is toch niet te rechtvaardigen, en dit is ook niet voor ons ter navolging geschreven. Scherpe woorden wekken toorn op, en zullen gewoonlijk wat kwaad is nog erger maken. Het is een zeer zware belediging voor iemand met een eerlijk gemoed om van oneerlijkheid beschuldigd te worden, en toch moeten wij ook leren dat te dragen met geduld, God onze zaak aanbevelende.
2. Het troostrijke van een goed geweten. Dit was Jakob's roem dat, toen Laban hem beschuldigde, zijn eigen geweten hem vrijsprak voor hem getuigde, dat hij in alles eerlijk wilde wandelen, Hebreeën 13:18. Zij, die in enigerlei werk of dienst getrouw zijn geweest, zullen, al kunnen zij er het getuigenis niet van krijgen van mensen, er toch den troost van smaken in hun eigen gemoed.
3. Het karakter van een goede dienstknecht, en inzonderheid van een getrouwe herder. Als zodanig heeft Jakob zich bewezen vers 38-40.
a. Hij was zeer zorgzaam, zodat de ooien en geiten niet door zijn onachtzaamheid misdragen hebben. Zijn godsvrucht heeft zegen gebracht op het goed van zijn meester, dat aan zijn zorgen was toevertrouwd. Dienstboden behoren niet minder zorg te hebben voor hetgeen hun door hun meesters toevertrouwd Is, dan wanneer zij er zelf recht op hadden.
b. Hij was zeer eerlijk, en heeft niets gegeten dan hetgeen hem toegestaan was. Hij vergenoegde zich met geringer kost, en begeerde zich niet tegoed te doen aan de rammen van de kudde. Dienstboden moeten niet kieskeurig zijn op hun spijzen, en niet begeren wat hun niet toegestaan is, maar hierin, evenals in alle andere dingen, alle goede trouw bewijzen.
c. Hij was zeer werkzaam, vers 40. In alle weer en wind bleef hij aan de arbeid, en verdroeg met onuitputtelijk geduld hitte en kou. Mensen, die een beroep of bedrijf hebben en er goede winst mede willen doen, moeten tegen geen moeite en ontbering opzien. Jakob is hier een voorbeeld voor leraren, ook zij zijn herders, van wie geëist wordt dat zij getrouw zullen zijn in hun roeping en bereid om zich moeite te geven.
4. Het karakter van een harde meester. Een zodanige was Laban voor Jakob geweest. Het zijn harde meesters:
a. Die van hun dienstboden eisen wat onrechtvaardig is, door hen te verplichten om te vergoeden wat zonder hun schuld beschadigd werd. Dat heeft Laban gedaan, vers 39. Ja, al was er ook onachtzaamheid, dan is het toch nog onrechtvaardig om bovenmatig te straffen. De schade kan voor de meester onbeduidend zijn, terwijl de arme dienstknecht er door geruïneerd wordt. b. Het zijn ook slechte meesters, die aan hun dienstboden weigeren wat recht en billijk is. Dit heeft Laban gedaan vers 41. Het was onredelijk om Jakob te laten dienen voor zijn dochters, daar hem toch door de belofte Gods zo groot een erfdeel was toegewezen, even onredelijk als het was om hem zijn dochters te geven zonder bruidsschat, terwijl hij daartoe toch zeer goed bij machte was. Aldus heeft hij de arme beroofd omdat hij arm is, zoals hij dit ook gedaan heeft door zijn loon te veranderen.
5. De zorg van Gods voorzienigheid ter bescherming van de onschuldigen, aan wie onrecht gedaan werd, vers 42. God nam kennis van het onrecht aan Jakob gepleegd, en beloonde hem, die Laban anders leeg zou hebben weggezonden, en bestrafte Laban, die hem anders verzwolgen zou hebben. God is de beschermer van de verdrukten, en zij, die onrecht lijden, zonder nochtans ten ondergang gebracht te zijn, neergeworpen en toch niet verdorven worden, moeten Hem erkennen in hun bewaring, en er Hem de eer voor toebrengen. Jakob spreekt van God als van de God van zijn vader, te kennen gevende dat hij zich onwaardig achtte om aldus door Hem verzorgd te worden, maar dat hij bemind was om zijns vaders wil. Hij noemt Hem de God van Abraham en de vrees van Izaak, want Abraham was gestorven en heengegaan naar die wereld, waar de volmaakte liefde de vrees buiten drijft, maar Izaak leefde nog, de Heere heiligende in zijn hart als zijn vrees en zijn verschrikking.