Genesis 31:25-35
Wij hebben hier het gesprek, gevoerd tussen Laban en Jakob bij hun ontmoeting op de berg, die later Gilead genoemd werd, vers 25.
Hier is:
I. De aanklacht van Laban tegen hem. Hij beschuldigt hem:
1. Van onrechtmatig zijn dienst verlaten te hebben. Om hem als misdadiger voor te stellen, wil hij zich voordoen als niets dan vriendelijkheid te bedoelen omtrent zijn dochters, vers 27, 28, dat hij hen weggezonden zou hebben met alle mogelijke tekenen van liefde en eer, dat hij er een plechtig afscheid van gemaakt zou hebben, zijn jeugdige kleinkinderen zou hebben gekust (en die kus zou wel alles geweest zijn wat hij hun gegeven had) en dat hij, naar de dwaze gewoonte van het land, hen weggezonden zou hebben met vreugde en met gezangen, met trommel en met harp, niet zoals Rebekka meer dan honderd jaren tevoren uit ditzelfde gezin werd weggezonden, met gebed en met een zegen, Hoofdstuk 24:60, maar met muziek en vrolijkheid, hetgeen een teken was, dat de godsdienst zeer in verval was in dat gezin, en er de ernst uit verdwenen was.
Evenwel: hij geeft voor dat zij bij het scheiden met achting zouden behandeld zijn. Het is iets zeer gewoons dat slechte mensen, als zij verhinderd zijn om hun boze plannen ten uitvoer te brengen, voorgeven dat zij niets anders dan wat goed en vriendelijk was bedoeld hebben. Als zij het kwaad, dat zij voorhadden, niet ten uitvoer kunnen brengen, dan willen zij niet dat men denkt, dat zij het ooit voor hebben gehad. Als zij niet gedaan hebben wat zij hadden moeten doen, maken zij er zich van af met de bewering, dat zij het hadden willen doen. Maar aldus kunnen zij wel de mensen, maar niet God bedriegen. Hij oppert tevens het denkbeeld, dat Jakob een boze bedoeling had met dus heimelijk weg te gaan vers 26, dat hij zijn vrouwen wegvoerde als gevangenen met het zwaard, vers 26. Zij, die zelf kwaad voorhebben, zijn er het eerst bij om aan hetgeen anderen doen in hun onschuld de ongunstigste uitlegging te geven. Het insinueren en verzwaren van fouten en verkeerdheden zijn de kunstgrepen van de boosaardigheid, en zij, tegen wie kwaad beraamd werd, moeten, al is het ook nog zo ten onrechte, voorgesteld worden, als hebbende boze voornemens gehad. Nu roemt hij op zijn macht, vers 29. Het ware in de macht van mijn hand ulieden kwaad te doen. Hij denkt dat hij zowel het recht als de macht heeft om zijn onrecht op Jakob te wreken, en zijn recht van hem terug te krijgen. Slechte mensen laten zich gewoonlijk veel voorstaan op hun macht om kwaad te doen terwijl toch de macht om goed te doen van oneindig hoger waarde is. Zij, die niets willen doen om zich beminnelijk te maken, willen graag voor geducht aangezien worden. En toch erkent hij onder het bedwang te zijn van Gods macht, en hoewel dit zeer tot eer en vertroosting van Jakob strekte, kan hij niet nalaten hem te verhalen hoe hij in de vorige nacht door God gewaarschuwd werd in een droom: Wacht u van met Jakob te spreken òf goed òf kwaad. Daar God alle boze werktuigen als aan een ketting houdt, kan Hij, als Hem dit behaagt, hen hiervan bewust maken, en hen noodzaken het te erkennen tot Zijn lof als beschermer van de goeden, zoals ook Bileam gedaan heeft. Wij zouden dit ook kunnen beschouwen als een blijk dat in Laban toch nog enige eerbied was voor God, en dat hij dus achtsloeg op Zijn uitdrukkelijk verbod. Slecht als hij was, bestond hij het toch niet iemand leed te doen, die hij onder de bijzondere bescherming van de hemel zag, Veel kwaad zou voorkomen worden, indien de mensen slechts acht geven op het "wacht u!" dat hun eigen geweten hun toeroept in hun sluimering op het leger, en er de stem van God in herkenden. 2. Hij beschuldigt hem een dief te zijn, vers 30. Veeleer dan te erkennen dat hij hem wel enige reden had gegeven om te willen vertrekken, schrijft hij dat vertrek liever toe aan een dwaze gehechtheid aan het huis van zijn vader, "maar", zegt hij, "als gij daarom heen wilde gaan, waarom hebt gij mijn goden gestolen? Dwaas! om datgene goden te noemen, dat gestolen kan worden! Kon hij bescherming verwachten van hen, die hun aanranders zomin weerstaan als ontdekken konden? Zalig zij, die de Heer hebben tot hun God, want zij hebben een God, van wie men hen niet kan beroven. Vijanden kunnen wel ons goed stelen, maar niet onze God. Hier legt Laban Jakob dingen ten laste, waarvan hij niets weet, de gewone ellende van de verdrukte onschuld.
II. Jakob's verdediging van zichzelf. Zij, die hun zaak overgeven aan God, mogen haar toch ook zelf met zachtmoedigheid en kalmte bepleiten.
1. Aangaande de beschuldiging dat hij zijn eigen vrouwen geroofd heeft, verdedigt Jakob zich door de ware reden op te geven waarom hij heengegaan was zonder er Laban kennis van te geven, vers 31. Hij vreesde dat hij hem zijn dochters zou ontnemen, en hem zodoende door de band van de liefde, die hij voor zijn vrouwen had, zou dwingen om in zijn dienst te blijven. Zij, die onrechtvaardig zijn in het minste, zullen, naar men moet veronderstellen, ook in het grote onrechtvaardig zijn, Lukas 16:10. Als Laban Jakob bedriegt ten opzichte van zijn loon, dan zal hij er geen bezwaar in zien om hem van zijn vrouwen te beroven, en diegenen te scheiden, die God tezamen gevoegd heeft. Wat kan men niet vrezen van mensen, in wie geen beginsel is van eerlijkheid?
2. Aangaande de beschuldiging van Labans goden gestolen te hebben, verklaart hij zich onschuldig, vers 32. Niet slechts heeft hij zelf ze niet genomen (hij was er zo verzot niet op) maar hij wist niet eens dat zij genomen waren. Toch heeft hij misschien te haastig en te onbedachtzaam gesproken, toen hij zei: Bij diegene bij wie gij uw goden vinden zult, laat hem niet leven, daaraan kon hij wel met enige bitterheid denken toen Rachel, die ze genomen had niet lang daarna plotseling in barensnood is gestorven. Hoe oprecht wij ook denken te zijn, is toch maar het best om geen verwensingen te doen, opdat deze niet zwaarder op ons neerkomen dan wij denken.
III. Labans strenge huiszoeking om zijn goden te vinden, vers 33, 34, 35, deels uit haat tegen Jakob, met wie hij graag een oorzaak van twist wilde hebben, en deels uit liefde voor zijn afgoden, waarvan hij niet graag wilde scheiden. Wij zien niet, dat hij Jakob's kudden onderzocht, om te zien of er ook gestolen vee bij was, maar wel zocht hij in zijn huisraad naar de gestolen goden. Hij was van Micha's mening: "Gij hebt mijn goden weggenomen, wat heb ik nu meer?" Richteren 18:24. Waren de aanbidders van valse goden zo op hun afgoden gesteld? Hebben zij aldus in den naam van hun goden gewandeld? En zullen wij dan niet even ijverig zijn in ons vragen naar de ware God? Als Hij rechtvaardiglijk van ons is geweken, hoe zorgzaam behoorden wij dan niet te vragen: "Waar is God, mijn Maker? Och of ik wist dat ik Hem vinden zou" Job 23:3. In weerwil van zijn ijverig zoeken heeft Laban zijn goden toch niet gevonden, maar werd bij zijn onderzoek door een vals voorgeven bedrogen, maar onze God zal niet slechts gevonden worden van hen, die Hem zoeken, maar zij zullen Hem als hun overvloedige beloner vinden.