Genesis 30:37-43
Hier is Jakob's verstandig en eerlijk beleid om het verdrag met Laban voordeliger voor zich te maken dan het zich liet aanzien. Indien hij geen middel had gebruikt om zichzelf te helpen, dan zou de overeenkomst zeer nadelig voor hem geweest zijn, en hij wist dat Laban zich daar nooit om bekommerd zou hebben, of liever, dat het hem groot genoegen zou gedaan hebben, zo weinig ging Laban met iemands belangen, behalve met zijn eigene, te rade.
Wat Jakob nu bedacht heeft, was:
1. Geschilde roeden te stellen ter plaatse waar het vee gedrenkt werd, opdat de dieren, starende op die ongewone bonte roeden, door de kracht van de verbeelding even zulke bonte jongen zouden werpen, vers 37-39. Waarschijnlijk werd deze gewoonte algemeen gevolgd door de herders van Kanaän, die gaarne zulk bontgekleurd vee hadden. Het betaamt een man meester te zijn in zijn beroep, waarin dit ook moge bestaan, en er niet slechts naarstig, maar vernuftig, vindingrijk in te zijn, wel bekend te zijn met al de wettige kunstgrepen er van, immers beoordeelt men de mens naar zijn werk. Er is een wijze (van werken) waarin God de landman onderricht, hoe eenvoudig dit beroep ook is, en die hij behoort te leren, Jesaja 28:26.
2. Toen hij nu een kudde van gestreept en bruin vee had verkregen, heeft hij ze zo geplaatst, dat het aangezicht van de andere dieren tot dit vee gewend was, en wel met hetzelfde doel, maar zijn eigen bont vee belette hij om op Labans effenkleurig vee te zien, vers 40. Het schijnt dat sterke indrukken worden verkregen door het oog, het is dus nodig daar een verbond mee aan te gaan.
3. Toen hij zag dat die wijze van werken door de bijzondere zegen van God voorspoedig was, paste hij haar alleen toe op de sterkere soort van vee, waardoor hij voor zich de kostbaarste dieren verkreeg, terwijl dan de zwakkere soort, de spadelingen, voor Laban waren, vers 41, 42. Aldus brak Jakob geheel zeer uit in menigte, vers 43, en werd hij in korte tijd zeer rijk. Die voorspoed op zijn beleid zou het, wel is waar, niet kunnen rechtvaardigen, indien er bedrog bij ware gepleegd, of indien er een onrechtvaardigheid mee begaan was, hetgeen, daarvan zijn wij zeker, niet het geval was, daar hij onder Goddelijke leiding had gehandeld, Hoofdstuk 31:12, ook was er in de zaak zelf niets dan een eerlijk gebruik maken van een billijke overeenkomst, dat door Gods voorzienigheid zeer voorspoedig werd gemaakt, zowel om recht te doen aan Jakob wie Laban onrecht had gedaan en die door hem zeer hard behandeld werd, alsook ingevolge de bijzondere beloften, die hem gedaan waren ten teken van de Goddelijke gunst. Zij die, terwijl hun begin gering is, nederig en eerlijk zijn, tevreden en naarstig, zijn goed op weg om hun laatste zeer vermeerderd te zien, aan hem, die getrouw is in het kleine, zal meer toevertrouwd worden, aan hem, die getrouw is in hetgeen van een ander is, zal iets voor hemzelf toevertrouwd worden. Jakob, die een eerlijk en oprecht dienstknecht is geweest is een rijk meester geworden.