Genesis 30:25-36
Wij hebben hier:
I. Jakob's denken aan terugkeren. Hij heeft trouw zijn tijd bij Laban uitgediend, zelfs zijn tweede zevental jaren, hoewel hij een oud man was en een aangroeiend gezin had om voor te zorgen. En nu was het hoog tijd voor hem om voor eigen rekening zaken te gaan doen. Hoewel Labans dienst hard was en deze hem ten opzichte van hun eerste overeenkomst bedrogen had, heeft Jakob toch van zijn kant zijn woord trouw gehouden. Een goed man zal, al heeft hij gezworen tot zijn schade, toch niet veranderen. En als anderen ons bedrogen hebben, geeft ons dit toch het recht niet om hen ook te bedriegen. Onze regel is te doen zoals wij wensen dat ons gedaan zal worden, niet zoals ons gedaan wordt. Nu de tijd van Jakob om is verzoekt hij om ontslag en verlof om heen te gaan, vers 25.
Merk op:
1. Hij heeft zijn genegenheid behouden voor het land Kanaän, niet alleen omdat het het land was van zijn geboorte en omdat daar zijn vader en moeder waren die hij verlangde weer te zien, maar omdat het het beloofde land was en ten teken dat hij staat maakte op die belofte. Te Haran kan hij wel als vreemdeling verkeren, maar hij kan er zich volstrekt niet vestigen. Zodanig gezind moeten wij ook zijn ten opzichte van ons hemels vaderland en ons beschouwen als vreemdelingen hier beneden en verlangende om daar te zijn, zodra de dagen van onze dienst op aarde geteld en voleindigd zijn. Wij moeten er niet aan denken om hier altijd te willen blijven, ons geluk te vinden in de aarde, want wij "hebben hier geen blijvende stad," Hebreeën 13:14.
2. Hij verlangde naar Kanaän terug te gaan hoewel hij een groot gezin had mede te nemen waarvoor nog geen voorziening gemaakt was. Hij had bij Laban vrouwen en kinderen verworven, maar niets meer. Toch doet hij bij Laban geen aanvraag, hetzij om een bruidsschat voor zijn vrouwen, of om onderhoud voor sommigen van zijn kinderen. Neen, al wat hij vraagt, is: Geef mijn vrouwen en mijn kinderen en laat mij vertrekken, vers 25-26. Zij, die vertrouwen hebben in God, in Zijn voorzienigheid en Zijn belofte, kunnen, al hebben zij ook een groot gezin en een klein inkomen, blijmoedig hopen, dat Hij, die de monden zendt, ook het brood er voor zal geven. Hij, die de jonge raven voedt, zal het zaad der rechtvaardigen niet laten verhongeren.
II. Laban wenst dat hij zal blijven, vers 27. Uit liefde voor zichzelf, niet voor Jakob of zijn vrouwen en kinderen, spreekt hij vriendelijk en billijk, ten einde hem te bewegen als zijn opperherder bij hem te blijven, hem dringend verzoekend ter wille der liefde, die hij hem toedroeg, hem niet te verlaten. Zo ik nu genade gevonden heb in uwe ogen, blijf. Vrekkige, zelfzuchtige mensen weten wel goede, schone woorden te spreken als dit met hun belangen strookt. Laban ondervond dat zijn veestapel onder de goede zorg van Jakob verwonderlijk was toegenomen, en hij erkent het, en wel met zeer goede uitdrukkingen van eerbied voor God en achting voor Jakob. Ik heb waargenomen, of ik heb door ondervinding geleerd dat de Heere mij, om uwentwil gezegend heeft.
Merk op: 1. Wat Laban geleerd heeft. Ik heb door ondervinding geleerd. Menige goede, nuttige les wordt door ondervinding geleerd. Wij zijn zeer ongeschikte scholieren, als de ondervinding ons het kwaad niet heeft geleerd van de zonde, de bedrieglijkheid van ons eigen hart, de ijdelheid der wereld, de goedheid van God, het gewin der Godzaligheid en dergelijke zaken meer.
2. Laban erkent:
a. Dat hij zijn voorspoed aan Gods zegen was verschuldigd: de Heere heeft mij gezegend. Wereldse mensen, die hun deel verkiezen in dit leven, worden dikwijls met overvloed van werelds goed gezegend. Uitwendige zegeningen worden in overvloedige mate geschonken aan velen, die geen recht of aanspraak hebben op verbondszegeningen.
b. Dat Jakob's Godsvrucht hem die zegen had aangebracht: de Heere heeft mij gezegend, niet om mijnentwil, (een man als Laban, die zonder God in de wereld leeft, "mene niet dat hij iets ontvangen zal van den Heere" Jakobus 1:7. Godvruchtige mensen zijn een zegen voor de plaatsen, waar zij wonen, zelfs waar zij in geringheid en onbekendheid wonen, zoals Jakob in het veld en Jozef in de gevangenis, Hoofdstuk 39:23. God zegent slechte mensen dikwijls met uitwendig goed ter wille van hun Godvruchtige bloedverwanten ofschoon zij slechts zelden het verstand hebben om het te zien en waar te nemen of oprechtheid genoeg om het, zoals Laban hier, te erkennen.
III. De nieuwe overeenkomst tussen hen. Labans list en inhaligheid deden hun voordeel met Jakob's eenvoudigheid, eerlijkheid en goedhartigheid. Bemerkende dat zijn schone woorden hun uitwerking niet misten bij Jakob, heeft hij, in plaats van hem een voordelig aanbod te doen, zoals hij alles in aanmerking genomen had behoren te doen, het aan Jakob zelf overgelaten, vers 28. Noem mij uitdrukkelijk uw loon, wel wetende dat hij zeer bescheiden zou zijn in zijn eisen en minder zou vragen dan hij hem, zonder zich te schamen, zou durven aanbieden. Zo doet Jakob hem dan een voorstel, waarin:
1. Hij aantoont welke redenen hij had om daarop aan te dringen, aangezien:
a. Laban uit dankbaarheid verplicht was hem goed te behandelen, daar hij hem niet slechts getrouw maar zeer voorspoedig had gediend, vers 30. Merk hier nu op, hoe bescheiden en nederig hij over zichzelf spreekt. Laban had gezegd: de Heere heeft mij om uwentwil gezegend, Jakob wil dat niet zeggen, maar: de Heere heeft u sedert mijn komst gezegend. Nederige heiligen scheppen meer vermaak in goeddoen dan in het horen er van.
b. Dat hijzelf gehouden en verplicht was voor zijn eigen gezin te zorgen: nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis? Geloof en liefde zijn wel voortreffelijke zaken, maar zij moeten er ons niet van weerhouden om voor ons eigen onderhoud te zorgen en in het onderhoud van ons gezin te voorzien. Evenals Jakob moeten wij vertrouwen op de Heer en het goede doen, maar evenals hij, moeten wij ook voor ons eigen huls werken, wie dat niet doet, is erger dan een ongelovige. 1 Timotheus 5:8.
2. Hij is bereid om zich op Gods voorzienigheid te verlaten, die, naar hij wist, zich ook over de kleinste dingen uitstrekt, zelfs over de kleur van vee, en hij zal tevreden wezen als hij voor zijn loon de schapen en geiten van die en die kleur krijgt, het gespikkelde, het geplekte en het bruine, dat van nu voortaan voortgebracht zal worden, vers 32, 33. Dat, meent hij, zal het beste middel wezen om te voorkomen dat Laban hem bedriegt en zich te vrijwaren tegen de verdenking, dat hij Laban bedriegt. Sommigen denken dat hij die kleur koos, omdat die in Kanaän het meest op prijs werd gesteld, in Kanaän worden de herders Nekodim genoemd, Amos 1:1, het woord, dat hier voor gespikkeld gebruikt wordt, en Laban bewilligde gaarne in dit voorstel, omdat hij dacht dat als de weinige gespikkelde, geplekte en bruine dieren die hij nu had van de overige werden afgezonderd, wat zij overeenkwamen terstond te doen, de kudde die Jakob te verzorgen had, als die van een kleur was, of geheel wit of geheel zwart, geen of weinige van gemengde kleuren zou voortbrengen, zodat hij dan Jakob's dienst voor niets of zo goed als niets zou hebben. Volgens deze overeenkomst werden nu de veelkleurige dieren afgezonderd en onder de hoede van Labans zonen gesteld en drie dagreizen ver weggezonden, zó groot was Labans vrees, dat sommige er van bij de overige kudde zouden komen en er zich, ten voordele van Jakob, mede zouden vermengen. Een schone koop heeft Jakob dus voor zich gesloten! Is dit nu zijn zorgen voor zijn eigen huis, om op zo onzekere kansen af te gaan? Indien dit vee, zoals gewoonlijk, jongen voortbrengt van zijn eigen kleur, dan moet hij nog voor niets dienen, zijn gehele leven lang slaven en arm blijven, Maar hij weet op wie hij vertrouwt, en de uitkomst bewees:
a. Dat hij de beste manier had gevolgd om met Laban te handelen, daar deze anders al te gierig en hard voor hem geweest zou zijn. En:
b. Dat niet tevergeefs vertrouwd wordt op Gods voorzienigheid, die eerlijke, nederige vlijt zegent. Zij, die bevinden dat mensen met wie zij handelen onrechtvaardig en onvriendelijk zijn zullen ook bevinden dat God dit niet is, maar dat Hij op de een of andere wijze recht zal doen aan hen, aan wie onrecht gedaan werd en een goede beloner zal wezen voor hen, die hun zaak in Zijn handen overgeven.