Deuteronomium 21:15-17
Deze wet weerhoudt huisvaders er van hun oudste zonen te onterven uit bloot eigenzinnigheid, zonder dat er een rechtmatige oorzaak voor is.
I. Het hier gestelde geval, vers 15, is zeer leerrijk.
1. Het toont het grote kwaad aan van meer dan een vrouw te hebben, welk kwaad door de wet van Mozes niet onderdrukt werd, waarschijnlijk in de hoop dat van de mensen eigen ervaring van de ongelegenheid, die er in de gezinnen door veroorzaakt werd, er tenslotte zelf een einde aan zou maken, zodat zij het zichzelf ten wet zouden stellen, om niet meer dan een vrouw te hebben. Let op de veronderstelling, die hier gemaakt wordt: indien een man twee vrouwen heeft, dan is het duizend tegen één, dat de ene bemind en de andere gehaat, dat is blijkbaar minder bemind, zal zijn, zoals Lea minder bemind was door Jakob, en het gevolg hiervan kan niet anders dan twist en ijverzucht, nijd, verwarring en alle boos werk teweegbrengen, waardoor dan aan de echtgenoot voortdurend kwelling en onrust wordt veroorzaakt, en dat hem zowel in zonde als in moeilijkheden zal brengen. Diegenen gaan veel meer met hun eigen gemak en voldoening te rade, die zich aan Gods wet houden, dan diegenen, die aan hun eigen lusten toegeven.
2. Het toont hoe Gods voorzienigheid gemeenlijk aan de zijde van de zwaksten is, en overvloedige eer geeft aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft, want de eerstgeboren zoon wordt hier verondersteld de zoon te zijn van haar, die gehaat is, zo was het in Jakob's gezin, omdat de Heere zag, dat Lea gehaat was, Genesis 29:31. De grote Heer des huizes geeft wijselijk aan ieder zijn deel van genot en vertroosting, indien de ene de eer had van de beminde huisvronw te zijn, dan bleek het dikwijls dat de andere de eer had van de moeder des eerstgeborenen te zijn.
3. Die wet is voor ouders ook nu nog verbindend, zij moeten aan hun kinderen geven wat hun van rechtswege toekomt, zonder partijdigheid. In het veronderstelde geval moet de oudste zoon, ofschoon hij de zoon is der minst beminde vrouw, het voorrecht van zijn geboorte hebben, hetwelk bestond in een dubbel deel van zijns vaders bezittingen, omdat hij het beginsel is van zijn kracht, dat is: in hem begon het gezin versterkt te worden, en zijn pijlkoker begon gevuld te worden met de pijlen van een held, Psalm 127:4, en daarom is het recht der eerstgeboorte van hem, vers 16, 17,. Jakob had Ruben wel Zijn eerstgeboorterecht ontnomen en het aan Jozef gegeven, maar het was omdat Ruben door het bedrijven van bloedschande zijn geboorterecht had verbeurd, niet omdat hij de zoon was van de gehate. Opdat nu hetgeen Jakob rechtvaardig heeft gedaan, niet als precedent zou beschouwd worden voor anderen om hetzelfde onrechtvaardig te doen, wordt hier gezorgd dat, als de vader bij uiterste wilsbeschikking zijn goed verdeelt, het kind niet slechter zal varen om zijns moeders ongeluk van minder bemind te zijn door haar echtgenoot, want dat was niet de schuld van het kind. Ouders behoren geen ander verschil te maken in de toebedeling van hun genegenheid aan hun kinderen, dan het verschil, dat zij duidelijk gemaakt zien door God in de toebedeling Zijner genade onder hen. Daar het Gods voorzienigheid is, die erfgenamen maakt, moet de beschikking van de Voorzienigheid niet tegengestaan, maar er in berust worden. Geen zoon moet door zijn vader verlaten of verzaakt worden voordat deze duidelijk blijkt van God te zijn verlaten, hetgeen moeilijk van iemand te zeggen is, zolang als hij leeft.