Genesis 29:9-14
Hier zien wij:
1. Rachels nederigheid en vlijt, zij was een herderin, vers 9, zij droeg zorg voor de schapen, met dienstboden onder zich. Rachels naam betekent moederschaap of ooi Eerlijke, nuttige arbeid is iets, waarvoor niemand zich behoeft te schamen, en het behoeft ook niemands bevordering in de weg te staan.
2. Jakob's tederheid en genegenheid. Toen hij vernam dat deze zijn nicht was (waarschijnlijk had hij haar naam tevoren reeds gehoord) en wetende, waartoe hij in dat land was gekomen, moet het hem, naar wij kunnen veronderstellen, terstond voor de geest zijn gekomen, dat zij zijn vrouw moest worden, daar hij reeds getroffen was door haar edel, schoon gelaat, al was dit ook gebruind door de zon, en al droeg zij slechts het gewaad van een herderin, vandaar dat hij oplettend en hoffelijk is jegens haar, en zeer begerig om haar van dienst te zijn, vers 10. Vandaar ook dat hij haar toespreekt, met tranen van blijdschap en haar met hartelijke genegenheid kust, vers 11. Nu spoedt zij zich heen om er mededeling van te doen aan haar vader, want zij wil de liefdesverklaring van haar neef niet aannemen, zonder dat haar vader er kennis van draagt en het goedkeurt, vers 12. Die wederzijdse ingenomenheid met elkaar bij de eerste kennismaking was een goed voorteken voor hun toekomstig geluk als man en vrouw.
3. Gods voorzienigheid maakte, dat wat toevallig scheen, voldoening en gerustheid schonk aan Jakob's gemoed, reeds zodra hij ter plaatse van zijn bestemming was aangekomen. Toen Abrahams dienstknecht daar met een zelfde boodschap was gekomen, heeft hij ook terstond een zelfde bemoediging ondervonden. Aldus leidt God Zijn volk met Zijn oog, Psalm 32:8. Het is een ijdele waan, waarvoor niet de minste grond bestaat, die sommige Joodse schrijvers doet zeggen, dat Jakob, toen hij Rachel kuste, weende omdat hij op reis overvallen was door Elifaz, de oudste zoon van Ezau, die hem op bevel van zijn vader van al zijn geld beroofd had en van de juwelen, die zijn moeder hem had gegeven, toen zij hem wegzond. Het is duidelijk, dat zijn liefde voor Rachel en de verrassing van deze gelukkige ontmoeting die tranen uit zijn ogen deden komen.
4. Laban, die anders niet de goedhartigste van alle mensen was, heette hem welkom, was tevreden met het bericht, dat hij over zichzelf gaf en van de reden, waarom hij in zulke armoedige omstandigheden tot hem kwam. Terwijl wij tot het uiterste vermijden om dwaas lichtgelovig te zijn, moeten wij ons ook hoeden voor het andere uiterste van liefdeloos achterdochtig en ergdenkend te zijn. Laban erkende hem als bloedverwant, vers 14, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees. Diegenen zijn in waarheid hard van hart, die onvriendelijk zijn voor hun bloedverwanten, "zich verbergen voor hun vlees," Jesaja 58:7.