9. Zo ging Ezau, zo geheel het beeld van een onbekeerde, natuurlijke mens die zijn misslagen op zijn wijze en in eigen kracht weer wil goedmaken, maar daarbij opnieuw een verkeerde weg inslaat, tot het geslacht van Ismaël (Ismaël zelf was reeds 14 jaar geleden gestorven,
Hoofdstuk 25:17 ) en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen (Judith en Basma in
Hoofdstuk 26:34 of, gelijk zij in
Hoofdstuk 36:2 genoemd worden, Aholibama en Ada), Mahalath (zij heeft gezongen), in
Hoofdstuk 36:3 Basmath genoemd, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth (
Hoofdstuk 25:13) (verhevene plaatsen). 1) Ezau meende wellicht, dat hij nu veel meer dan zijn broeder voor zich had; nu had hij een vrouw uit de familie van zijn vader, terwijl Jakob een van zijn moeders betrekkingen wilde nemen. Hij bedacht echter niet, dat hij zich hierdoor des te verder van de belofte verwijderde, daar Ismaël reeds uitgesloten was. (
Hoofdstuk 21:10).
1) Menig mens wil, wanneer hij in angst of doodsgevaar verkeert, op een gelijke wijze zijn ziel door uitwendige werken, die hij van vrome Christenen afgezien heeft, bijv. door bidden, lezen, kerkgang, avondmaal, erflatingen enz. redden en helpen; maar, zolang het hart niet veranderd is, zolang men geen genade in het bloed van Jezus door het geloof verkregen heeft, blijft men onder de vloek liggen, en gaat men onder deze het eeuwig verderf tegemoet.
Zo treffen natuurlijke mensen, als zij God en mensen beledigd hebben, nooit de rechte middelen, om hen met zich te verzoenen.
Ezau meende hiermee de gunst van de vader te zullen herwinnen, maar berekent niet, dat hij daardoor nog meer dan hij gedaan heeft, tegen de goddelijke wetten zondigt. De polygamie was een schending van het huwelijk en zonde tegen Gods wet..
V. Vers 10-22. Op zijn reis naar Haran, nog midden in Kanaän zich bevindende, overnacht Jakob in het open veld, en heeft hier het veelbetekenend droomgezicht van de ladder. God Zelf geeft hem de zegen van Abraham en belooft hem nog, hem te zullen behoeden op al zijn wegen, en ter rechter tijd in het land terug te brengen, dat hij nu gaat verlaten. Jakob gevoelt bij zijn ontwaken, ontzetting over de ondervonden nabijheid Gods; heiligt de steen, waarop zijn hoofd heeft gelegen; geeft aan de plaats, waar de openbaring hem ten deel geworden is, een veelbetekenende naam en verbindt zich tot de dienst des Heren.