Genesis 28:10-15
Wij zien hier Jakob op zijn reis naar Syrië in zeer treurige, eenzame toestand, als iemand die uitgezonden is om fortuin te zoeken. Maar wij zien dat hij, alleen zijnde, toch niet alleen was, want "de Vader was met hem," Johannes 16:32. Indien hetgeen hier vermeld wordt geschied is in de eerste nacht na zijn vertrek (en naar het zich laat aanzien was dit inderdaad het geval) dan heeft hij wel een lange dagreis afgelegd van Ber-Seba naar Bethel, die op meer dan twaalf uren afstand van elkaar liggen. Gods voorzienigheid leidde hem naar een gerieflijke plaats, die waarschijnlijk door bomen was overschaduwd, om hem daar in die nacht te laten rusten. Daar had hij:
I. Een harde legerstede, met stenen tot zijn hoofdpeluw, en de hemel als zijn dak en zijn gordijnen. Naar de gewoonte van die tijd was dit misschien niet zo erg als het ons nu toeschijnt, maar toch kunnen wij denken:
1. Dat hij daar zeer koud neerlag, de koude grond was zijn bed en, wat naar wij zouden denken de toestand nog verergerde, een koude steen was zijn hoofdkussen, en de koude nachtlucht was om hem heen,
2. Dat hij er ook zeer ongemakkelijk lag. Als zijn leden vermoeid en pijnlijk waren door zijn lange voetreis, dan zal zijn nachtrust die pijnlijkheid nog doen toenemen.
3. Hij lag daar ook zeer blootgesteld aan gevaar.
a. Hij vergat dat hij om zijns levens wil vluchtte, want, indien zijn broeder in zijn woede hem had gevolgd of hem een moordenaar had nagezonden, dan lag hij daar weerloos, open en bloot, heel gereed om als slachtoffer van de wraak van zijn broeder te vallen. Wij kunnen niet denken dat hij uit armoede zo slecht voorzien was, maar vanwege de eenvoudige zeden en gewoonten van die tijd, toen de mensen nog niet zo'n grote staat voerden, en minder te rade gingen met hun gemak en genoegen dan in latere tijden van meer weelde en verwijfdheid.
b. Jakob was zeer gewoon aan de ontbering, als een eenvoudig man woonde hij in tenten, nu was hij voornemens in dienstbaarheid te gaan, en dus wilde hij zich nog te meer harden en het bleek later hoezeer hem dit te stade kwam, Hoofdstuk 31:40.
c. Zijn vertroosting door de Goddelijke zegen en zijn vertrouwen op de Goddelijke bescherming maakten dat hij gerust en goedsmoeds was en er zeker van was dat God hem- zeker en veilig zou doen wonen, en zo kon hij dan neerliggen en slapen op een steen.
II. Op deze harde, koude legerstede had hij een aangenamer droom. Ieder Israëliet zou voorzeker gaarne genoegen nemen met Jakob's hoofdpeluw, als hij ook Jakob's droom kon hebben. Daar, op die plaats en op dat uur, hoorde hij de redenen Gods, en zag hij de gezichten des nachts, nooit heeft hij een nacht gehad, waarin hij zo'n kostelijke slaap genoot. Gods tijd om Zijn volk te bezoeken met Zijn vertroostingen, is wanneer zij het meest van alle andere vertroostingen verstoken zijn en van alle andere vertroosters, als de beproevingen in de weg van de plicht overvloedig zijn, dan zullen de vertroostingen nog veel meer overvloedig zijn. Merk hier nu op: 1. Het bemoedigend visioen, dat Jakob gezien heeft, vers 12. Hij zag een ladder, die van de aarde tot de hemel reikte, de engelen Gods daarbij op en neer klimmende, en God zelf staande op het boveneinde. Dit nu stelt de twee dingen voor, die voor Godvruchtige mensen te allen tijde en in alle toestanden zeer troostrijk zijn.
A. De voorzienigheid Gods, waardoor een voortdurende gemeenschap wordt onderhouden tussen de hemel en de aarde. De raadsbesluiten des hemels worden ten uitvoer gebracht op de aarde, en de handelingen en zaken van deze aarde zijn alle bekend in de hemel en worden daar geoordeeld. De voorzienigheid doet haar werk trapsgewijze, de engelen worden gebruikt als gedienstige geesten om al de voornemens en doeleinden Gods tot stand te brengen, en de wijsheid Gods is aan het boveneinde van de ladder, die alle bewegingen van de tweede of ondergeschikte oorzaken leidt tot eer en heerlijkheid van de eerste oorzaak. De engelen zijn werkzame geesten, voortdurend opklimmende en neerdalende, zij rusten dag noch nacht van hun dienst, op de post of de plaats, die hun aangewezen is. Zij klimmen op om bericht te geven van hetgeen zij gedaan hebben en om orders te ontvangen, en dan dalen zij neer om de ontvangen orders ten uitvoer te brengen. Aldus behoren wij altijd overvloedig te zijn in het werk des Heeren, opdat wij het doen zoals de engelen het doen, Psalm 103:20, 21. Het visioen bracht zeer tijdige vertroosting tot Jakob, daar het hem deed weten, dat hij bij zijn uitgaan en zijn inkomen zowel een goede gids als een goede wachter had, dat hij, hoewel genoodzaakt om van zijns vaders huis weg te gaan, toch onder de hoede bleef van Gods vriendelijke voorzienigheid, en onder de zorg was gesteld van heilige engelen. Dit is troost genoeg, hoewel wij niet moeten instemmen met het denkbeeld, door sommigen geopperd, dat de beschermengelen van Kanaän opklommen, daar zij Jakob veilig uitgeleid hebben uit hun land, en de engelen van Syrië nederdaalden om hem nu verder onder hun hoede te nemen. Jakob was nu het type en de vertegenwoordiger van geheel de kerk, waarvan de hoede aan de engelen is opgedragen.
B. Het middelaarschap van Christus: Hij is deze ladder, de voet er van op aarde in Zijn menselijke natuur, het opperste er van in de hemel in Zijn Goddelijke natuur, of wel: de voet, een voorstelling van Zijn vernedering, het opperste, een voorstelling van Zijn verhoging. Sedert de val heeft alle gemeenschap tussen de hemel en de aarde plaats door deze ladder. Christus is de weg, al Gods gunsten komen tot ons, en al onze diensten gaan tot Hem door Christus. Indien God bij ons woont, en wij bij Hem zijn, dan is het door Christus. Wij hebben geen andere weg om tot de hemel te komen dan langs deze ladder, als wij er langs een andere weg op klimmen, dan zijn wij dieven en moordenaars. Onze Heiland zinspeelt op dit visioen, als Hij spreekt van "de engelen Gods opklimmende en nederdalende op de Zoon des mensen," Johannes 1:52, want de vriendelijke diensten, die de engelen ons bewijzen en het voordeel, dat wij door hun bediening ontvangen, zijn wij geheel aan Christus verschuldigd, die alle dingen verzoend heeft, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn, Colossenzen 1:20 en ze tot een heeft vergaderd in zichzelf. Efeze 1:10.
2. De bemoedigende woorden, die Jakob hoorde. God bracht hem nu in de woestijn, en sprak naar zijn hart, sprak tot hem van het opperste van de ladder, want al de blijde tijdingen, die wij van de hemel ontvangen, komen door Jezus Christus.
A. De vorige beloften, aan zijn vader gedaan worden hier herhaald en aan hem bevestigd vers 13, 14. In het algemeen: God geeft hem te kennen, dat Hij voor hem dezelfde zal wezen die Hij voor Abraham en Izaak geweest is. Zij, die in de voetstappen treden van hun Godvruchtige ouders, delen met hen in het verbond en hebben recht op de voorrechten er van. In het bijzonder:
a. Het land Kanaän wordt hem ten erfdeel toegewezen-het land, waarop gij ligt te slapen-alsof hij, door zo tevreden neer te liggen op de naakte grond, van het gehele land bezit had genomen.
b. Er wordt hem beloofd, dat zijn nakomelingen zich uitermate zullen vermenigvuldigen, als het stof der aarde, dat, hoewel hij thans als een verdorde tak afgerukt schijnt te zijn, hij toch tot een bloeiende, groenende boom zal worden die zijn takken zal uitstrekken tot aan de zee. Dat waren de zegeningen, waarmee zijn vader hem gezegend heeft, vers 3, 4, en hier zegt God er Amen toe, opdat hij een sterke vertroosting zou hebben.
c. Er wordt bijgevoegd, dat de Messias uit zijn lenden zal voortkomen, in wie alle geslachten der aarde gezegend zullen worden. Christus is de grote zegen der wereld, allen, die gezegend zijn, tot welk geslacht zij ook behoren, zijn in Hem gezegend, en niemand, van welk geslacht ook is er van buitengesloten om in Hem gezegend te worden, behalve zij, die er zichzelf van buitensluiten.
B. Er worden hem nieuwe beloften gegeven die gepast waren voor de toestand, waarin hij zich nu bevond, vers 15.
a. Jakob duchtte gevaar van de kant van Ezau, maar God belooft hem, hem te zullen behoeden. Zij, die door God worden beschermd, zijn veilig, wie hen ook mogen vervolgen.
b. Hij had nu een lange reis voor zich, en hij moest alleen voorttrekken op de hem onbekende weg naar een hem onbekend land, maar: zie, Ik ben met u, zegt God. Waar wij ook zijn, overal zijn wij veilig en kunnen wij gerust zijn, als Gods genaderijke tegenwoordigheid met ons is.
c. Hij wist niet, maar God voorzag, welke moeilijkheden en ontberingen zijn deel zullen wezen in de dienst van zijn oom, en daarom belooft Hij op alle plaatsen met hem te zullen wezen. God weet Zijn volk genade en vertroosting te geven naar de aard van de gebeurtenissen, die nog moeten plaatshebben, zowel als naar de omstandigheden waarin zij zich nu reeds bevinden.
d. Hij ging nu als balling naar een ver verwijderd oord, maar God belooft hem hem weer te zullen brengen naar dit land. Hij, die de uitgang Zijns volks bewaart, zal ook voor hun ingang weten te zorgen, Psalm 121:8.
e. Hij scheen verlaten te zijn van al zijn vrienden, maar God geeft hem hier deze verzekering: Ik zal u niet verlaten. Die God liefheeft, die verlaat Hij nooit. Deze belofte is verzekerd aan al het zaad, Hebreeën 13:5 f. De leidingen van Gods voorzienigheid schenen in tegenspraak met de belofte, daarom wordt hem de vervulling er van ter bestemder tijd verzekerd: Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben hetgeen Ik tot u gesproken heb. Zeggen en doen zijn voor God niet twee, wat zij voor ons ook mogen wezen.