Numeri 24:15-25
Het ambt van de profeten was om in de naam des Heeren te zegenen en te profeteren. Als profeet heeft Bileam Israël moeten zegenen, en hier voorzegt hij de toekomstige gebeurtenissen.
I. Zijn inleiding is tamelijk gelijk aan die in vers 3 en 4. Op bewonderenswaardige wijze neemt hij de houding aan van een waar profeet. God liet hem dit toe en gebood het hem omdat, wat hij ook moge zijn, de profetie zelf was een ware profetie. Hij roemt:
1. Dat zijn ogen geopend zijn, vers 15, want in oude tijden werden de profeten zieners genoemd, 1 Samuël 9:9, omdat zij meestal spreken wat zij hadden gezien, voordat zij dus hun lippen openden, was het nodig dat hun ogen geopend waren.
2. Dat hij de redenen Gods hoorde, velen horen ze ook, maar geven er geen acht op, en horen er God niet in.
3. Dat hij de wetenschap des Allerhoogsten weet, dit is hier bijgevoegd. Een mens kan vol zijn van de wetenschap Gods, en toch geheel ontbloot wezen van de genade Gods, kan de waarheid ontvangen in het licht er van, en toch vreemd wezen aan de liefde er van.
4. Dat hij de gezichten des Almachtigen zag maar niet zó, dat hij naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd werd. Hij noemt God de Allerhoogste en de Almachtige, niemand kon met meer eer van Hem spreken en groter prijs stellen op zijn bekendheid met Hem, en toch had hij geen ware vrees voor Hem of liefde tot Hem of geloof in Hem, zó ver kan iemand op de weg naar de hemel wezen en hem toch nooit bereiken.
II. Hier is zijn profetie van Hem, die de kroon en heerlijkheid van Zijn volk Israël zal wezen, en deze is:
1. In type of afschaduwing, David, die niet nu, niet spoedig, maar in verloop van tijd, de landpalen van de Moabieten zal verslaan, bezit zal nemen van Edom en het gebergte Seïr, en onder wie de strijdmacht van Israël kracht zal oefenen, vers 18. Dit werd vervuld toen David de Moabieten sloeg en ze mat met een snoer zodat de Moabieten David tot knechten werden, 2 Samuël 8:2. En terzelfder tijd werden ook de Edomieten onderworpen, vers 14. Maar het is:
2. Onze Heere Jezus, de beloofde Messias die voornamelijk bedoeld is, en van Hem is het een heerlijke en uitnemende profetie. Het was de wil van God, dat er aldus lang tevoren kennis zou worden gegeven van Zijn komst, niet alleen aan het volk van de Joden, maar ook aan andere natiën, omdat Zijn Evangelie en koninkrijk zich zouden uitstrekken ver buiten de grenzen van het land Israëls. Hier wordt voorzegd:
a. Dat het nog zeer lang zal duren eer Hij komt: "Ik zal hem zien, maar nu niet. Ik zie hem in visioen, maar op zeer grote afstand, door de tussenliggende ruimte heen van tenminste vijftien honderd jaren." Of versta het aldus: Bileam, een goddeloos man, zal Christus zien, maar zal Hem niet van nabij zien, Hem ook niet zien zoals Job, die Hem gezien heeft als zijn Verlosser, Hem gezien heeft voor zichzelf, Job 19:25-27. Als Hij komt op de wolken zal alle oog Hem zien, maar velen zullen Hem zien, zoals de rijke man in de hel Abraham zag, van verre. b. Dat hij zal voortkomen uit Jakob en Israël, als een ster en een scepter, de eerste Zijn heerlijkheid en luister aanduidende, de blinkende morgenster, de laatste Zijn macht en gezag, hij zal heersen. Deze profetie van Bileam (een van de kinderen van het Oosten) betreffende een ster, die zal voortkomen uit Jakob, als de aanduiding van een scepter, ontstaande in Israël, als een overlevering van dat land bewaard, was misschien de aanleiding voor de wijzen die ook uit het Oosten waren om op het gezicht van een buitengewone ster boven het land van Judea onderzoek te doen naar Hem, die de geboren Koning van de Joden was, Mattheus 2:2.
c. Dat zijn koninkrijk universeel zal zijn, zegevierende over alle tegenstand, hetgeen afgeschaduwd werd door Davids overwinningen op Moab en Edom. Maar de Messias zal al de kinderen Seths verstoren, of zoals sommigen de tekst lezen zal over al de kinderen Seths heersen, vers 17, dat is, al de kinderen van de mensen, die afstammelingen zijn van Seth, de zoon van Adam, daar de afstammelingen van de andere zonen van Adam uitgeroeid werden door de zondvloed. Christus zal Koning zijn, niet alleen van Jakob en Israël, maar van geheel de wereld, zodat al de kinderen Seths òf geregeerd zullen worden door Zijn gouden scepter, of verbrijzeld zullen worden door Zijn ijzeren roede. Hij zal Zijn eigen algemene heerschappij oprichten, Zijn gezag en macht vestigen, en alle heerschappij die Hem tegenstaat, tenietdoen, 1 Corinthiërs 15:24. Hij zal alle kinderen Seths ontmuren, zoals sommigen de tekst lezen. Hij zal al hun verdedigingswerken neerwerpen, al hun vleselijk bebouwen tenietdoen, zodat zij, òf zich aan Zijn heerschappij zullen onderwerpen, òf open en bloot liggen voor Zijn oordelen.
d. Dat Zijn Israël kracht zal doen. De onderdanen van Christus, bezield en bemoedigd door Zijn macht, zullen een geestelijke krijg voeren met de machten van de duisternis, en meer dan overwinnaars zijn. Het volk dat hun God kent, zal sterk zijn en grote daden doen, Daniël 11:32. I)
III. Hier is een profetie betreffende de Amalekieten en Kenieten, van welker land hij waarschijnlijk sommige delen zag.
1. De Amalekieten waren toen de eerstelingen van de heidenen, dat is: het voornaamste van de volken, vers 20. Daarom werd van Agag gesproken, in vers 7, als van een voornaam vorst en zij waren de eersten, die streden tegen Israël toen hij uit Egypteland kwam. Maar de tijd zal komen, wanneer dat volk, groot als het thans schijnt te zijn, aan een algeheel verderf zal worden overgegeven en geheel uitgeroeid zal worden. Zijn uiterste is ten verderve. Hier bevestigt Bileam het vonnis door Mozes aangekondigd, Exodus 17:14, 16, daar God gezworen had, dat de oorlog des Heeren tegen Amalek zou zijn van geslacht tot geslacht. Zij, tegen wie God krijg voert, zullen gewis voor eeuwig omkomen, want als God oordeelt zal Hij overwinnen.
2. De Kenieten waren nu van alle volken het meest gerust, de ligging van hun land was zodanig, dat de natuur zijn vestingbouwkundige was en het buitengewoon had versterkt. Uw woning is vast, en gij hebt, als de adelaar, uw nest in een steenrots gelegd, vers 21. Gij acht u veilig, en toch zal de Keniet verteerd worden vers 22 langzamerhand tot verval komen, totdat zij door de Assyriërs gevankelijk weggevoerd zullen worden, hetgeen geschiedde tijdens de gevangenschap van de tien stammen. Staatslichamen, al zijn zij ook nog zo sterk, zullen evenals natuurlijke lichamen langzamerhand vervallen, en ten laatste ten verderve gaan, zelfs een nest in een steenrots zal geen altijddurende veiligheid bieden. IV. Hier is een profetie die ver vooruitziet naar de Grieken en Romeinen, want hun land wordt verondersteld bedoeld te zijn met de oever van de Chittieten, vers 24.
1. De inleiding tot deze spreuk, dit artikel van zijn profetie, is zeer merkwaardig, vers 23. Och, wie zal leven als God dit doen zal. Hiermede erkent hij dat alle omwentelingen van staten en koninkrijken het doen zijn van God, "als God dit doen zal", wie ook de werktuigen er voor zijn, Hij is de opperste bestuurder. Maar hij spreekt er van met droefheid en hij heeft een zeer treurig vooruitzicht van deze gebeurtenissen. Wie zal leven? Hetzij dat zijn bedoeling is: Die gebeurtenissen liggen nog zo ver, dat het moeilijk te zeggen is, wie zal leven als zij plaatshebben. Maar wie ze ook zal beleven, zij zullen zien dat zij uiterst verbazingwekkend zijn. Of wel: Die gebeurtenissen zullen zo treurig wezen, en zulke verwoestingen aanrichten, dat nauwelijks iemand zal ontkomen of in het leven gelaten worden. Wie zal leven, als de dood zegevierend rondwaart? Openbaring 6:8. Zij, die dan leven, zullen als vuurbranden zijn, uit het vuur gerukt, hun zal het leven gegeven zijn als een buit. Moge God ons bereiden en geschikt maken voor de ergste tijden!
2. De profetie zelf is opmerkelijk. Beide Griekenland en Italië liggen dicht aan de zee en daarom werden hun legers meestal in schepen uitgezonden. Nu schijnt hij hier te voorspellen:
a. Dat de legers van de Grieken de Assyriërs, die met de Perzen verbonden waren, zouden vernederen en tenonder brengen, hetgeen vervuld werd toen het land van het Oosten door Alexander overmeesterd werd.
b. Dat hun krijgsmacht en die van de Romeinen de Hebreeën of Joden, die de kinderen van Heber genoemd worden, zal plagen. Dit werd ten dele vervuld, toen het Griekse rijk de Joodse natie verdrukte, maar voornamelijk toen het Romeinse rijk haar ten verderve bracht, en er een einde aan maakte. Maar:
c. Dat Chittim, dat is het Romeinse rijk, waarin het Griekse ten laatste was opgegaan, zelf voor eeuwig zal vergaan, als de steen, die zonder handen van de berg wordt afgehouwen, al deze koninkrijken zal verteren, en inzonderheid de voeten van ijzeren leem, Daniël 2:34. Aldus zegt Dr. Lightfoot heeft Bileam inplaats van de kerk te vervloeken, het eerst Amalek en het laatst Rome, de vijand van de kerk, vervloekt. Alzo moeten omkomen, al Uwe vijanden, o Heere!