Genesis 25:29-34
Wij hebben hier een overeenkomst tussen Jakob en Ezau over de eerstgeboorte, die aan Ezau naar de loop van de gewone voorzienigheid maar aan Jakob volgens de belofte toekwam. Het was een geestelijk voorrecht, dat de uitnemendheid van de waardigheid en de uitnemendheid van de kracht en macht omvatte, zowel als het dubbele deel. Het scheen een geboorterecht waaraan toen de zegen verbonden was en de erfenis van de belofte. Zie nu:
I. Jakob's Godvruchtige begeerte naar dat geboorterecht, dat hij echter door slinkse middelen zocht te verkrijgen, die niet overeenkwamen met zijn karakter als een oprecht man. Het was niet uit hoogmoed of eerzucht dat hij het geboorterecht begeerde, maar om de geestelijke zegeningen, waarmee hij in zijn tenten wel bekend was geworden, terwijl Ezau de geur er van in het veld had verloren. Daarvoor is hij te prijzen, namelijk dat hij ijverde naar de beste gaven, maar hij was er niet voor te verontschuldigen, dat hij van de nooddruft van zijn broeder gebruik maakte, om een zeer harde koop met hem te sluiten, vers 31. Verkoop mij op deze dag uw eerstgeboorte. Waarschijnlijk hadden zij tevoren reeds met elkaar over deze zaak gesproken, en in dat geval was het voor Ezau niet zo'n grote verrassing als het hier schijnt te zijn. Het kan ook wezen, dat Ezau zich soms met geringschatting over dat geboorterecht en hetgeen er toe behoorde heeft uitgelaten, hetgeen Jakob dan aanmoedigde om hem het voorstel te doen. Indien dit zo is, dan is Jakob enigszins te verontschuldigen voor hetgeen hij deed om zijn doel te bereiken. Argeloze mensen, die wandelen in eenvoudigheid en Godvruchtige oprechtheid zonder enige wereldwijsheid, worden dikwijls bevonden de wijste van allen te zijn voor hun ziel en voor de eeuwigheid. Diegenen zijn waarlijk wijs, die wijs zijn voor een andere wereld. Jakob's wijsheid bleek in twee dingen.
1. Dat hij de juiste tijd koos en de gelegenheid, die zich aanbood, niet liet glippen.
2. Dat hij nadat de koop gesloten was, er zich ook van verzekerde, hem liet bevestigen door Ezau's eed. Zweer mij op deze dag. Hij nam Ezau, toen hij er voor in de stemming was, en wilde hem niet de macht laten om de koop te herroepen of ongedaan te maken. In een zaak van die aard is het goed om zeker te gaan.
II. Ezau's onheilige minachting van het geboorterecht, en zijn dwaas verkopen er van. Hierom wordt hij de "onheilige Ezau" genoemd, Hebreeën 12:16, omdat hij "om een spijs het recht van zijn eerstgeboorte weggaf, " zo'n dure spijs als ooit gegeten werd sedert de verboden vrucht, en hij leefde om er berouw van te hebben, toen het te laat was. Nooit was er zo'n dwaze verkoping, als die door Ezau toen gedaan werd, en toch liet hij zich voorstaan op zijn verstand en beleid, en had de roep een zeer scherpzinnig man te zijn, en heeft hij zijn broeder Jakob wellicht dikwijls bespot als een zwak, onnozel man. Er zijn van die mensen, die naar ons (Engels) spreekwoord "penning-wijs en pond-dwaas" zijn, dat is: slim en bij de hand voor nietigheden of voor de dingen van deze wereld, maar onbegrijpelijk dom en achteloos voor grote aangelegenheden, voor de gewichtige belangen van hun ziel, verstandig op de jacht, en die anderen kunnen verschalken en in strikken lokken, maar zichzelf door de listige omleidingen van Satan laten bedriegen en gevangen zijn tot zijn wil. God verkiest dikwijls het dwaze van de wereld om er de wijzen door te beschamen. De eenvoudige Jakob maakt de loze, scherpzinniger Ezau tot een dwaas. Zie hier enige voorbeelden van Ezau's dwaasheid.
Hij had sterke lusten en begeerten, vers 29, 30. De arme Jakob had zich wat brood en een linzenkooksel bereid voor zijn middagmaal, vers 34, en zat tevreden neer om het te nuttigen, al was er geen wildbraad bij, toen Ezau van de jacht kwam, hongerig en moede, en misschien niets gevangen had. Nu behaagde Jakob's linzenkooksel hem meer dan zijn wild hem ooit behaagd had. Geef mij, zegt hij, van dat rode, dat rode daar. Die kleur kwam overeen met de zijne, vers 25, en tot zijn schande werd hij daarna altijd Edom Rood genoemd. Hij scheen zo moede en flauw te zijn, dat hij zichzelf niet kon bedienen, en daar er geen knecht bij de hand was, vraagt hij zijn broeder hem te helpen. Zij, die geheel leven voor hun vermaak, "vermoeien zich tevergeefs," Habakuk 2:13. Zij zouden het nodigste werk kunnen verrichten en de grootste voordelen kunnen behalen met half zoveel moeite als zij zich geven en helft van de gevaren die zij lopen bij het najagen van hun dwaze genoegens. Zij, die kalm en rustig arbeiden, worden meer gestadig en op aangenamer wijze verzorgd dan zij, die rumoerig jagen, de spijs is niet altijd voor de wijzen, maar die op de Heere vertrouwen en het goede doen, zullen voorzeker gevoed worden, gevoed met dagelijks brood, niet zoals Ezau, die nu eens een feestmaal had, en dan weer flauw en hongerig was. Het voldoen aan de lust der zinnen is wat het verderf is voor duizenden kostelijke zielen. Als Ezau flauw en hongerig was, zou hij voorzeker wel goedkoper een maal eten hebben kunnen krijgen dan voor de prijs van zijn geboorterecht, maar hij was onbegrijpelijk gesteld op de kleur van dat kooksel, en kon zich de voldoening niet ontzeggen om er een schotel van te hebben, wat het hem dan ook moge kosten. Er kan nooit iets beters van komen, als het hart van de mensen hun ogen navolgt, Job 31:7, en als zij hun buik dienen. Zie dan de wijn, of-gelijk Ezau-het linzenkooksel, niet aan als hij-of het-zich rood vertoont, als hij in de beker zijn kleur geeft-of in de schotel-en zeer aanlokkend is, Spreuken 23:31. Als wij ons gewennen aan zelfverloochening, dan breken wij de kracht van de meeste verzoekingen.
Zijn redenering was zwak, vers 32. Zie, ik ga sterven, of: ik ben op het punt te sterven. Maar was er dan niets anders dan juist dit linzenkooksel om hem in het leven te houden? Indien er nu, zoals Dr. Lightfoot vermoedt, honger in het land was, Hoofdstuk 26:1, dan kunnen wij toch niet onderstellen, dat Izaak zo arm was, of Rebekka zo'n slechte huishoudster, dat hij niet van ander geschikt voedsel voorzien zou kunnen worden, en aldus zijn geboorterecht had kunnen behouden, maar hij is onder de macht van zijn lusten, en niets kan hem voldoen dan dit rode kooksel, en om zijn begeerlijkheid te bemantelen, wendt hij voor stervende te zijn. Indien dit zo was, was het dan niet beter voor hem met ere te sterven dan in schande te leven, te sterven onder een zegen, dan te leven onder een vloek? Het geboorterecht was een type van geestelijke voorrechten, die van de kerk van de eerstgeborenen. Ezau was nu op de proef gesteld hoe hij die zou waarderen, en hij toont zich slechts bewust van tegenwoordige smarten, als hij die slechts kan verlichten, dan geeft hij om geen geboorterecht. Naboth had betere beginselen, daar hij liever het leven wilde verliezen dan zijn wijngaard te verkopen, omdat zijn deel in het aardse Kanaän zijn deel betekende in het hemelse, 1 Koningen 21:3. Indien wij Ezau's geboorterecht beschouwen als slechts een tijdelijk, aards voordeel, dan was er in wat hij zei iets waars, namelijk dat onze wereldlijke bezittingen, zelfs die waar wij het meest van houden, ons in het stervensuur van generlei dienst zullen zijn, Psalm 49:7-9. Zij zullen de dood niet afweren, er de benauwdheid niet van verminderen, er de prikkel niet van wegnemen. Maar toch, Ezau, die zich als heer, als achtbaar man, voordeed, had van een edeler geest moeten zijn, dan zelfs een zodanige eer zo goedkoop te verkopen. Maar daar dit geboorterecht van geestelijke betekenis was, was zijn onderschatting er van de grootst-mogelijke goddeloosheid. Het is de ontzettendste dwaasheid om voor de schatten, de eer en de genoegens van deze wereld afstand te doen van ons deel in God en Christus, en de hemel, het is een even slechte koop als die van hem, die zijn geboorterecht voor een schotel linzen verkocht. Berouw was verre van hem. vers 34. Hij at en dronk, streelde zijn gehemelte, bevredigde zijn lust, achtte zich gelukkig om het goede maal eten, dat hij gehad heeft, en toen stond hij zorgeloos en onverschillig op en ging heen, zonder enig ernstig nadenken over de slechte koop, die hij gedaan had, of enig teken van berouw er van. Aldus heeft Ezau zijn geboorterecht veracht. Hij deed geen poging om de koop te herroepen, deed er geen beroep voor op zijn vader, noch stelde hij aan zijn broeder een schikking voor van de zaak, maar de koop door zijn nooddruft gesloten-gesteld al dat die nooddruft werkelijk bestond-werd door zijn goddeloosheid bevestigd "ex post facto-na de daad," en door zijn daarop volgende onverschilligheid en minachting heeft hij, als het ware, het recht en de geldigheid van de koop erkend, en hem door zijn rechtvaardiging van hetgeen hij gedaan had, onherroepelijk gemaakt. De mensen gaan ten verderve, niet zozeer door te doen wat verkeerd is, maar door het te doen en er geen berouw van te hebben, het te doen en er bij te blijven.