Genesis 24:10-28
Abrahams dienstknecht begint zich nu in deze geschiedenis te onderscheiden, en hoewel zijn naam niet genoemd wordt, wordt hier toch zoveel vermeld tot zijn eer, en tot een voorbeeld voor alle dienstknechten, die geëerd zullen worden, indien zij door God en hun meesters getrouw te dienen, de leer van Christus versieren. Vergelijk Spreuken 27:18, met Titus2:10. Een goede dienstknecht, die nauwgezet de plichten van zijn dienst vervult, en het doet in de vreze Gods, kan wel weinig aanzien hebben in de wereld, en geen lof van mensen ontvangen, maar hij is Gode welbehaaglijk, en van Hem zal hij zegen en lof ontvangen.
Merk hier op:
I. Hoe getrouw Abrahams dienstknecht zich betoonde jegens zijn meester.
1. Zijn opdracht ontvangen hebbende, maakt hij alle spoed voor zijn afreis, en rust zich toe met hetgeen nodig was voor zijn zending, vers 10, en al het goed van zijn heer was in zijn hand, dat is: een lijst, of beschrijving er van, om haar te tonen aan hen, met wie hij moest onderhandelen, want van het begin tot het eind had hij de eer van zijn heer op het oog. Daar Izaak een type was van Christus, zien sommigen in dit heengaan om een vrouw voor hem te halen de betekenis van het huwelijk van Christus met de kerk, door de werkzaamheid van Zijn dienstknechten, de verkondigers van Zijn Evangelie. De kerk is de bruid, de vrouw van het Lam, Openbaring 21:9. Christus is de bruidegom, en de leraren zijn de vrienden van de bruidegom, Johannes 3:29, wier werk het is zielen tot Hem te brengen, 2 Corinthiërs 11:2. De bruid van Christus moet niet van de Kanaänieten zijn, maar van Zijn eigen maagschap, wedergeboren van boven. Evenals Abrahams dienstknecht moeten ook de leraren zich met de uiterste wijsheid en zorg er op toeleggen, om de belangen van hun Meester hierin te dienen.
II. Met innige vroomheid erkende hij God in deze aangelegenheid, als een lid van dat gelukkig huisgezin, aan hetwelk Abraham bevolen heeft de weg des Heeren te houden, enz. Hoofdstuk 18:19. Na menige dagreis kwam hij vroeg in de avond aan op de plaats van zijn bestemming, en rustte bij een waterput, om nu te overleggen wat hem verder te doen stond.
1.a. Hij erkende God door een bijzonder gebed, vers 12-14, waarin hij bidt om voorspoed en een goede uitslag: doe ze mij toch heden ontmoeten. Het is ons vergund nauwkeurig en uitvoerig te zijn, als wij onze zaken aan de leiding en zorg van Gods voorzienigheid aanbevelen. Zij, die voorspoed willen hebben, moeten er om bidden: heden, in deze zaak, aldus moeten wij in al onze wegen God kennen, Spreuken 3:6. En als wij aldus opzien tot God in elke onderneming, waarover wij bezorgd zijn dan zullen wij de troost hebben onze plicht gedaan te hebben, wat er de uitslag dan ook van moge zijn.
b. Hij pleit op het verbond Gods met zijn meester Abraham: O God van mijn heer Abraham, doe weldadigheid bij hem. Gelijk de kinderen van goede ouders, zo hebben ook de dienstknechten van goede meesters een bijzondere aanmoediging in het gebed, dat zij tot God opzenden om voorspoed en welslagen.
c. Hij stelt een teken voor, vers 14 niet om er God door te beperken, of met het voornemen om niet verder voort te gaan, indien God hem hierin niet ter wille is, maar het is een gebed: a.a. Dat God aan zijn jongen meester een goede huisvrouw zal geven, en dat was een goed gebed. Hij wist, dat "een verstandige vrouw van de Heere is," Spreuken I9:14. Hij wenst, dat de vrouw van zijn meester een nederige, vlijtige vrouw zal zijn, opgeleid tot zorgvuldigheid en arbeidzaamheid, en gewillig om haar handen te slaan aan het werk, dat gedaan moet worden, dat zij van een vriendelijke geaardheid zijn zal, welwillend en barmhartig voor vreemdelingen. Toen hij daar kwam, om voor zijn meester een vrouw te zoeken ging hij niet naar een schouwplaats of een openbare wandelplaats, en bad hij niet, dat hij daar een zou ontmoeten, maar naar een waterfontein, verwachtende daar een te vinden, die zich met goede arbeid bezighield.
b.b. Dat het Hem mocht behagen hem voor deze zaak zijn weg duidelijk te maken, door een samenloop van kleine omstandigheden tot zijn voordeel. Het is de vertroosting, zowel als het geloof, van de Godvruchtige, dat Gods voorzienigheid zich uitstrekt tot de kleinste voorvallen, en ze op bewonderenswaardige wijze tot Zijn eigen doeleinden doet medewerken. Onze tijden zijn in Gods hand, niet slechts de gebeurtenissen zelf, maar ook de tijden er van. Wij zullen verstandig handelen, als wij in al onze zaken de leiding van Gods voorzienigheid volgen, maar zeer dwaas doen wij, als wij Gods voorzienigheid willen dwingen. Het is zeer wenselijk, en iets waarom wij mogen bidden, dat God ons, terwijl wij in het algemeen Zijn wil voor ogen hebben als onze regel-, door wenken van Zijn voorzienigheid op de weg leidt van onze plicht, en ons door aanduidingen te kennen geeft wat Zijn wil is. Aldus is Gods oog op Zijn volk, Psalm 32:8, en leidt Hij hen op de rechte weg, Psalm 27:11.
2. De Heere verhoorde hem. Hij nam een besluit, en het werd hem bevestigd, Job 22:28. Er geschiedde hem naar zijn geloof. De verhoring van zijn gebed ging snel: eer hij geëindigd had te spreken, vers 15, gelijk geschreven is: "Terwijl zij nog spreken zo zal Ik horen" Jesaja 65:24. Wij zijn achterlijk in het bidden, maar God is vaardig in het horen van het gebed. God verhoorde zijn gebed en voldeed aan zijn verlangen, de eerste, die kwam om water te putten, was en deed alles naar de begeerte van zijn hart. Zij was zó begaafd, dat zij in alle opzichten voldeed aan hetgeen hij wenste in haar, die de vrouw van zijn meester zou worden, schoon van gestalte en gelaat, gezond, nederig en naarstig, zeer wellevend en hulpvaardig voor vreemdelingen, en met al de kenmerken van een goede inborst. Toen zij bij de put kwam, vers 16, ging zij af en vulde haar kruik en ging op om er weer mee naar huis te gaan. Zij bleef niet staan om de vreemdeling aan te staren of naar zijn kamelen te zien, maar behartigde haar werk, en zou er niet van afgeleid hebben willen worden, dan door een gelegenheid om goed te doen. Zij is niet in een nieuwsgierig of vertrouwelijk gesprek met hem getreden, maar heeft hem zedig geantwoord met al de bescheidenheid, die passend was voor haar sekse. In welk een verdorven tijd leven wij! Wij zien wel veel voorbeelden van hoogmoed, weelde en traagheid, het tegenovergestelde van Rebekka's hoedanigheden, Rebekka's dochters zijn schaars. Deze goede hoedanigheden die toen in ere waren, worden thans geminacht. Gods voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat wat zij deed nauwkeurig overeenkwam met het teken, dat hij begeerd had, zij gaf hem niet alleen te drinken, maar-wat niet verwacht kon worden-zij bood haar dienst aan om ook zijn kamelen te drenken, en dat was juist het teken, dat hij voorgesteld had.
In Zijn voorzienigheid eert God soms op heerlijke wijze het gebed van het geloof, en geeft aan Zijn biddend volk hun onschuldige begeerten, zelfs in kleine dingen, teneinde de uitgestrektheid aan te tonen van Zijn zorg over hen, en hen aan te moedigen om Hem te allen tijde te zoeken en op Hem te vertrouwen. Maar toch moeten wij ons wachten voor een vrijpostig voorschrijven aan God, want dan zou het kunnen wezen, dat de uitslag daarvan ons geloof eerder verzwakt dan versterkt. Het is goed om bij elke gelegenheid, die zich voordoet, een nederige, wellevende, liefderijke geaardheid te tonen, want vroeg of laat zal ons dit tot meer eer en voordeel strekken dan wij denken, sommigen hebben hierdoor engelen geherbergd, en Rebekka is daardoor, zonder dat zij dit toen in het minst verwacht heeft in het geslacht en verbond van Christus gekomen. Er kan zeer veel vriendelijkheid en goedheid gelegen zijn in hetgeen ons slechts weinig kost, onze Heiland heeft een beloning toegezegd voor een beker koud water, zoals deze hier. Mattheus 10:42. De leiding van Gods voorzienigheid in de samenloop van allerlei kleine omstandigheden ter bevordering van ons welslagen in enigerlei zaak moet zeer bijzonder opgemerkt worden met verwondering en dankbaarheid tot eer van God, de man verwonderde zich, vers 21. Door ons verzuim om opmerkzaam te zijn op de leiding van Gods voorzienigheid, hebben wij ook onze plicht verzuimd! en zo moesten wij er ook de vertroosting van ontberen. Op zijn navraag bleek het tot zijn grote voldoening en blijdschap, dat zij na verwant was aan zijn meester, en dat zij tot een aanzienlijke familie behoorde, die in staat was hem gastvrijheid te verlenen, vers 23-25. Soms leidt Gods voorzienigheid op bewonderenswaardige wijze hen, die door geloof en gebed tot de hemel hebben opgezien om leiding bij de keus van echtgenoten. Het zullen waarschijnlijk wel gelukkige huwelijken zijn, die in de vreze Gods worden aangegaan, en deze huwelijken, daarvan zijn wij zeker, worden in de hemel gesloten.
3. Abrahams dienstknecht erkent God in bijzondere dankzegging. Eerst betoonde hij aan Rebekka zijn eerbiedige erkentelijkheid voor haar beleefdheid en vriendelijkheid vers 22, hij schonk haar zulke versierselen die een jonkvrouw, inzonderheid een bruid, niet kan vergeten, Jeremia 2:32, die echter, naar wij zouden denken, weinig pasten bij de waterkruik, maar het voorhoofdversiersel en de armringen, die zij soms droeg, hebben haar niet doen denken, dat zij verheven was boven de arbeid van een deugdelijke huisvrouw, Spreuken 31:13, die "werkt met lust harer handen," noch dat zij verheven was boven het dienstbetoon van een kind, dat zolang het nog minderjarig is, "in niets verschilt van een dienstknecht," Galaten 4:1,. Dit nu gedaan hebbende, verandert zijn verwondering, vers 21, in aanbidding, vers 26, 27. Geloofd zij de Heere, de God mijns heren Abrahams.
Merk hier op:
a. Hij had gebeden om voorspoed, en nu hij die verkregen had, brengt hij Gode dankzegging. Wat wij gewinnen door gebed, moeten wij gebruiken met dankzegging, want zegeningen, die ons geschonken worden op ons gebed, brengen ons bijzondere verplichtingen.
b. Hij had nu nog slechts een goed vooruitzicht op welslagen en was niet zeker van de uitslag, en toch brengt hij Gode reeds dank. Als Gods gunsten tot ons komen, moeten wij ze tegemoet gaan met lofzegging.
c. Hij looft God voor welslagen, terwijl hij toch slechts de zaken van zijn meester behartigde, want wij moeten even dankbaar zijn voor de zegeningen van onze vrienden, als voor onze eigene.
d. Hij dankt God, omdat Hij zijn gangen had bestierd, toen hij, op weg zijnde, niet wist waarheen zich te wenden. In moeilijke twijfelachtige gevallen is het zeer troostrijk te zien hoe God ons leidt zoals Hij Israël door een wolk- en vuurkolom geleid heeft in de woestijn.
e. Hij voelt zich zeer gelukkig, en erkent God er in, dat hij naar het huis van zijns heren broederen geleid is, tot diegenen van hen, die uitgegaan zijn uit Ur der Chaldeeën, hoewel zij niet in Kanaän gekomen zijn, maar in Haran waren gebleven. Zij waren geen afgodendienaars, maar aanbidders van de ware God, en tot de Godsdienst van Abrahams gezin geneigd. God moet erkend worden bij het kiezen van echtgenoten, inzonderheid de zodanigen, die in de Godsdienst gelijkgezind zijn.
f. Hij erkent dat God hierin Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van zijn heer. God had beloofd Abrahams gezin en geslacht te bouwen, maar vooralsnog scheen het verstoken te zijn van het voordeel van die belofte, maar nu bewerkt Zijn voorzienigheid de vervulling ervan. Gods getrouwe dienstknechten kunnen wel zeer verstoken schijnen van wereldlijke gerieflijkheden, maar nooit zullen zij verstoken zijn van Gods weldadigheid en waarheid- want Gods weldadigheid is een onuitputtelijke bron, en Zijn waarheid een onwrikbaar fundament. De lieflijkheid van een zegen wordt er niet weinig door verhoogd, als wij er de bewijzen in zien van Gods weldadigheid en waarheid.