Genesis 23:3-15
Hier is:
I. Het nederig verzoek dat Abraham richtte tot zijn naburen, de Hethieten, voor een begraafplaats onder hen, vers 3, 4. Het was vreemd, dat hij dit nu pas ging doen, maar wij moeten dit eerder toeschrijven aan Gods voorzienigheid dan aan zijn gebrek aan voorzorg, zoals blijkt uit Handelingen 7:5, waar gezegd wordt: "God gaf hem geen erfdeel in Kanaän." Het zou goed zijn, als allen, die zorgdragen om te voorzien in een begraafplaats voor hun lichaam na hun dood, even zorgzaam waren om te voorzien in een rustplaats voor hun ziel.
Merk hier op:
1. De goede afleiding, die deze zaak aan Abraham bezorgde in zijn droefheid, hij stond op van het aangezicht van zijn dode. Zij, die in gevaar zijn om al te veel te treuren over de dood van bloedverwanten, moeten weerstand bieden aan de verzoeking om zich blind te staren op hun verlies, eenzaam en neerslachtig neer te zitten. Er moet een tijd wezen van op te staan van het aangezicht van hun doden en van ophouden met rouw bedrijven. Want ons geluk is, Gode zij dank, niet afhankelijk van het leven van enig schepsel. Zorg voor de begrafenis kan gebruikt worden als afleiding van de smart om de dood, zoals hier, als er gevaar is dat die smart ons zal tiranniseren. Het wenen moet het zaaien niet in de weg staan,
2. Het argument, dat hij bij de zonen Heths aanvoerde: "Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u, ben dus niet voorzien van hetgeen ik nu nodig heb en zo moet ik u dan nederig verzoeken mij een begraafplaats af te staan." Dit was een gelegenheid, die Abraham gebruikte om te belijden, dat hij een gast en vreemdeling op de aarde was, en hij schaamde zich niet om dit aldus openlijk te bekennen Hebreeën 11:13. De dood van onze bloedverwanten moet ons er krachtig aan herinneren, dat wij in deze wereld niet tehuis zijn. Zeg, als zij heengegaan zijn: "Wij gaan heen."
3. Zijn ongerustheid zolang die zaak niet in orde was gebracht, aangeduid met die woorden: opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave. De dood zal hen afschuwwekkend voor ons maken, die, terwijl zij leefden, de lust onzer ogen zijn geweest. Het gelaat, dat fris en levendig was, wordt bleek en doods, geschikt om naar het land der duisternis overgebracht te worden. Zolang zij nog voor zijn ogen was, vernieuwde dit zijn smart, en dat wilde hij voorkomen.
II. Het edelmoedige aanbod, dat de zonen Heths hem deden, vers 5,6. Zij begroeten hem:
1. Met een titel van eerbied: Gij zijt een vorst Gods in het midden van ons. Gij zijt niet slechts groot, maar goed. Hij noemde zich een vreemdeling en inwoner, zij noemen hem een vorst Gods, want zij, die zich vernederen, zullen verhoogd worden. God had beloofd Abrahams naam groot te maken.
2. Met een aanbod van de beste van hun begraafplaatsen. Zelfs het licht der natuur leert ons beleefd en eerbiedig te zijn jegens allen, al zijn zij ook vreemdelingen en bijwoners. De vriendelijke edelmoedigheid van deze Kanaänieten beschaamt en veroordeelt de karigheid, de zelfzucht en de kwade luim van velen, die zich Israëlieten noemen. Deze Kanaänieten zouden blij zijn om hun stof met het stof van Abraham te vermengen, en een einde te hebben gelijk aan het zijne.
III. Het bijzondere voorstel, dat Abraham hun deed, vers 7-9. Hij betuigt hun zijn dank voor hun vriendelijk aanbod in hoogst-vriendelijke en eerbiedige bewoordingen. Hoewel hij een groot man en een oud man was, en nu een treurende, staat hij op en buigt zich ootmoedig voor hen, vers 7. De Godsdienst leert goede manieren, en diegenen belasteren de Godsdienst die hem in ruwheid en lompheid plaatsen. Daarna vestigt hij zijn keuze op de plaats, die hem het geschiktst dacht voor zijn doel, namelijk de spelonk van Machpela, die waarschijnlijk in zijn nabijheid was gelegen en nog niet als begraafplaats gebruikt was. De tegenwoordige eigenaar was Efron. Abraham kan geen aanspraak maken op invloed bij hem, maar hij wenst dat zij van hun invloed bij hem gebruik zullen maken om de koop van die spelonk tot stand te brengen, met de akker, waarin zij gelegen was. Een bescheiden verlangen om door billijke en eerlijke middelen te verkrijgen dat wat geschikt en gerieflijk voor ons is, is niet zulk een begeren van wat van onze naaste is, als door het tiende gebod verboden wordt.
IV. Hoe Efron zijn akker aan Abraham wil schenken, vers 10, 11. De akker geef ik u. Abraham dacht dat hij gebeden moest worden om hem te verkopen, maar zodra er melding van wordt gemaakt, is hij, zonder er om gebeden te worden, bereid hem om niet te geven. Abraham heeft ongetwijfeld alle gelegenheid gebruikt om zijn naburen van dienst te zijn en nu vergelden zij hem zijn vriendelijkheid, want "voor wie bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen gemaakt worden." Indien zij, die de Godsdienst belijden, hun belijdenis versieren door grote beleefdheid en welwillendheid jegens allen, dan zullen zij bevinden, dat dit bevorderlijk is voor hun eigen welzijn, zowel als voor de eer van God.
V. Abrahams bescheiden en oprechte weigering van Efrons vriendelijk aanbod, vers 12, 13. Hij betuigt er hem grote erkentelijkheid voor, vers 12, 13, buigt zich voor hem in tegenwoordigheid van het volk des lands, opdat zij Efron te meer zouden achten wegens de achting, die zij Abraham hem zagen bewijzen, 1 Samuël 15:30, maar besluit hem geld te geven voor de akker, en wel het volle bedrag van de waarde. Het was niet uit hoogmoed, dat Abraham dit geschenk weigerde, wijl hij het beneden zijn waardigheid achtte iets aan Efron verplicht te zijn, maar:
1. Uit "rechtvaardigheid." Abraham was rijk in zilver en in goud, Hoofdstuk 13:2, en was instaat om voor de akker te betalen, en daarom wilde hij zijn voordeel niet doen met Efrons vrijgevigheid. Eerlijkheid, zowel als eergevoel, verbiedt ons op de beurs van onze naaste te leven, tafelschuimers te zijn, en misbruik te maken van iemands gulhartigheid. Het was voor Job een troostrijke gedachte, toen hij arm was, dat hij zijn vermogen niet gegeten heeft zonder geld, Job 31:39.
2. Uit "voorzichtigheid, " hij wilde er voor betalen, opdat Efron, als zijn goede luim voorbij was het hem niet zou verwijten, zeggende: Ik heb Abraham rijk gemaakt, Hoofdstuk 14:23. Of ook, opdat de volgende erfgenaam Abrahams recht op die akker niet zou kunnen betwisten alsof die afgestaan was zonder enige vergoeding, en hem terugeisen. Zo heeft David later ook Arauna's aanbod geweigerd, 2 Samuël 24:24. Wij weten niet welke beledigingen wij later zullen ontvangen van hen, die nu zo uiterst vriendelijk en edelmoedig zijn.
VI. De prijs van de akker wordt door Efron genoemd, maar hij dringt er niet op aan die prijs ook te ontvangen, vers 14, 15. Een land van vier honderd sikkelen zilvers, ongeveer zes honderd gulden van ons geld, wat is dat tussen mij en tussen u? Hij wilde liever zijn vriend verplichten, dan zoveel geld in zijn beurs te hebben. Hierin toont Efron een grote geringschatting van wereldse rijkdom. "Wat is dat tussen mij en tussen u? Het is een zaak van weinig belang, niet de moeite waard om er over te spreken." Menigeen zou gezegd hebben: Het is zeer veel geld, een flinke bijdrage aan een kindsdeel van een erfenis, maar Efron zegt: "Wat is dat?" Het is uitnemend als de mensen minne gedachten hebben van de wereld en haar schatten, het is: hetgeen niets is, niets betekent, en in de overvloed waarvan het leven van een mens niet is gelegen, Lukas 12:15.
Grote hoffelijkheid en vriendelijkheid jegens een vriend en nabuur. Efron koesterde geen achterdocht jegens Abraham als vreemdeling en inwoner, ook was hij niet afgunstig op hem, als een man, die waarschijnlijk grote voorspoed zou hebben en rijk worden, hij was hem niet kwalijk gezind vanwege het eigenaardige in zijn Godsdienst, maar was veel vriendelijker voor hem dan de meeste mensen nu zijn voor hun eigen broeders. Wat is dat tussen mij en tussen u? Kleinigheden moeten geen geschillen teweegbrengen tussen vrienden. Als wij in verzoeking zijn om toornig te wezen wegens de een of andere belediging, te staan op de eisen van ons recht, of hard in het weigeren van vriendelijkheid, dan moeten wij op die verzoeking antwoorden met deze vraag: "Wat is dat tussen mij en mijn vriend?"