Genesis 12:14-20
Hier is:
I. Het gevaar waarin Sarai verkeerde, dat haar kuisheid geschonden zou worden door de koning van Egypte. En het gevaar van de zonde is ongetwijfeld het grootste gevaar, waarin wij ons kunnen bevinden. Farao's vorsten (of liever zijn koppelaars) zagen haar en, bemerkende welk een schone vrouw zij was prezen zij haar bij Farao, niet om hetgeen wezenlijk tot haar lof was-haar deugd en zedigheid, haar geloof en Godsvrucht, (in hun ogen waren dit geen deugden), maar om haar schoonheid, die zij te goed achtten voor de omhelzingen van een onderdaan, en waardig de bewondering van de koning, en zo werd zij terstond weggenomen naar Farao's huis, zoals Esther naar het serail van Ahasveros, Esther 2:8, ten einde haar tot zijn vrouw of bijwijf te maken. Nu moeten wij dit niet zo beschouwen, alsof Sarai nu op weg was tot bevordering en eer, maar wel, als komende in verzoeking, en de aanleiding hiertoe was haar eigen schoonheid, die een strik is voor velen, en Abrams dubbelzinnigheid, die een zonde is welke gewoonlijk de deur openzet voor veel zonde. Terwijl Sarai zich nu in dit gevaar bevond, ging het Abram wèl om harentwil. Farao gaf hem schapen en ossen, enz, vers 16 ten einde zijn toestemming te krijgen, en aldus zoveel eerder te kunnen overmogen bij haar, die hij zijn zuster dacht te zijn. Wij kunnen niet denken dat Abram dit verwacht heeft, toen hij in Egypte kwam, en nog veel minder, dat hij dit beoogd heeft, toen hij loochende dat zij zijn vrouw was, maar God heeft goed uit kwaad doen voortkomen. En aldus is op de een of andere wijze het vermogen des zondaars voor de rechtvaardige weggelegd.
II. Sarai's redding uit dit gevaar. Want indien God ons niet uit genade verloste uit de moeilijkheden, die wij ons door onze eigen zonde en dwaasheid op de hals gehaald hebben en waaruit wij niet konden verwachten verlost te worden op grond van een belofte, wij zouden reeds voorlang in het verderf zijn gestort. Hij handelt niet met ons naar hetgeen wij verdienen.
1. God plaagde Farao, en verhinderde alzo de voortgang van zijn zonde. Het zijn gelukkige plagen of kastijdingen, die ons beletten om op de weg van de zonde voort te gaan, en ons krachtdadig terugbrengen tot onze plicht, inzonderheid tot de plicht om weer te geven wat wij ten onrechte genomen en teruggehouden hebben.
Merk op, dat niet alleen Farao, maar ook zijn huis, geplaagd werd, inzonderheid waarschijnlijk de vorsten, die Sarai aan Farao hebben aangeprezen. Zij, die deelgenoten zijn in de zonde, worden met recht tot deelgenoten gemaakt in de straf. Zij, die anderer lusten dienen, moeten verwachten in hun plagen te zullen delen. Er wordt ons niet in bijzonderheden meegedeeld, waarin die plagen bestonden, maar ongetwijfeld was er in de plagen zelf, of in een verklaring die er aan toegevoegd werd, genoeg om hen tot de overtuiging te brengen, dat het om Sarai was, dat zij aldus geplaagd werden.
2. Farao heeft Abram bestraft, maar hem toen met achting weggezonden.
a. De bestraffing was kalm, maar zeer rechtvaardig: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? Hoe onbehoorlijk was het! Hoe onbetamelijk in een verstandig en goed man! Indien zij, die de Godsdienst belijden, doen hetgeen onbillijk en onoprecht is inzonderheid indien zij zeggen wat zo goed als een leugen is, dan moeten zij verwachten er van te zullen horen, en zij hebben dan nog reden om hen te danken, die het hun zeggen. Wij bevinden dat een profeet des Heeren met recht bestraft is geworden door een heidense schipper, Jona 1:6. Farao redeneert met hem: Waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is? Waarmee hij te kennen geeft dat, zo hij het geweten had, hij haar niet in zijn huis zou genomen hebben. Het is een fout, die maar al te algemeen is onder vrome lieden, om kwade vermoedens te hebben omtrent anderen, waarvoor zij niet altijd genoegzame redenen hebben. Wij hebben dikwijls meer deugd en eer en nauwgezetheid van geweten gevonden in sommige mensen dan wij dachten, en het behoort een genoegen voor ons te zijn om op die wijze verrast te worden, zoals Abram het hier was, die Farao een beter man bevond te zijn dan hij gedacht heeft. De liefde leert ons het beste te hopen.
b. De wegzending was vriendelijk, edelmoedig zelfs, zonder dat haar eer was geschonden, vers 19, Zie daar is uw huisvrouw, neem ze. Zij, die zonde willen voorkomen, moeten de verzoeking wegnemen of haar uit de weg gaan. Hij zond hem ook weg in vrede, en hij koesterde zo weinig het plan om hem te doden, zoals hij gevreesd had, dat hij bijzondere zorg voor hem droeg. Dikwijls verstrikken wij ons door angsten, die weldra blijken volstrekt ongegrond te zijn. Wij vrezen dikwijls waar geen vrees is. Wij vrezen "vanwege de grimmigheid des benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven, terwijl er toch geen werkelijk gevaar is, Jesaja 51:13. Het zou meer tot Abrams eer en kalme rust geweest zijn, als hij dadelijk de volle waarheid had gezegd, want eerlijkheid is toch altijd het beste beleid. Ja, in vers 20 wordt gezegd, Farao gebood zijn mannen vanwege hem, dat is: hij verbood hun hem in iets te beledigen of te schaden. Voor hen, die gezag hebben, is het niet genoeg dat zij zelf geen kwaad doen, zij moeten ook hun dienaren en hen, die tot hun omgeving behoren weerhouden van kwaad te doen. Of, hij gebood hun om Abram, toen hij na de hongersnood weer naar Kanaän terug wilde keren, hem veilig uit het land te geleiden. Waarschijnlijk was hij er verschrikt door de plagen, vers 17 en leidde hij er uit af, dat Abram een bijzondere gunstgenoot des hemels was, waarom hij uit vrees, dat die plagen weer zouden keren, er bijzondere zorg voor droeg, dat aan Abram, zolang hij in zijn land was, geen leed zou geschieden.
God heeft voor Zijn kinderen dikwijls vrienden verwekt door de mensen te doen weten, dat het gevaarlijk is hen te schaden. Het is gevaarlijk om Christus' kleinen te ergeren, Mattheus 18:6. Hiernaar, onder andere, verwijst de psalmist: Psalm 105:14-16. Hij bestrafte koningen om hunnentwil, zeggende: Tast Mijne gezalfden niet aan, en doet Mijne profeten geen kwaad. Misschien zou Abram, indien Farao hem niet had weggezonden, in verzoeking geweest zijn om in Egypte te blijven, en het land van de belofte te vergeten. Soms maakt God gebruik van de vijanden Zijns volks om hen er van te overtuigen, en hen er aan te herinneren dat deze wereld de plaats niet is hunner ruste, maar dat zij aan heengaan moeten denken. Let ook op de overeenkomst tussen deze verlossing van Abram uit Egypte en de verlossing van zijn nakomelingen uit dat land vier honderd en dertig jaren nadat hij er wegens een hongersnood heen was gegaan. Ook zij zijn er wegens een hongersnood heengegaan. Hij is er uitgeleid door grote plagen over Farao, en zo, op diezelfde wijze, zijn ook zij er uitgeleid geworden. Abram werd weggezonden, verrijkt door de roof van de Egyptenaren, zij evenzeer. Want Gods zorg over Zijn volk is dezelfde, gisteren, en heden, en tot in eeuwigheid.