Exodus 8:16-19
Hier is een kort bericht omtrent de plaag van de luizen. Het blijkt niet, dat die plaag tevoren aangekondigd was. Farao's misbruik van de verademing, die hem was toegestaan, had er hem genoegzaam op kunnen voorbereiden om weer een plaag te verwachten, want als het wegnemen van een beproeving ons verhardt, en ons aldus van het nut en voordeel er van berooft, dan kunnen wij tot de gevolgtrekking komen, dat zij heengaat met het voornemen van terug te komen of om voor erger plaats te maken.
I. Merk op, hoe deze plaag van de luizen de Egyptenaren werd opgelegd, vers 16, 17. De kikvorsen werden uit het water te voorschijn gebracht, maar deze luizen uit het stof van de aarde, want uit ieder deel van de schepping kan God een gesel halen, om er hen mee te kastijden, die tegen Hem rebelleren. Hij heeft vele pijlen in Zijn pijlkoker. Zelfs het stof van de aarde gehoorzaamt Hem. "Vrees dus niet, gij wormpje Jakob's," want God kan u, zo het Hem behaagt, als een scherpe, nieuwe dorsslede gebruiken, Jesaja 41:14, 15. Deze luizen waren ongetwijfeld een grote kwelling, zowel als ergerlijk voor de Egyptenaren. Zij hadden verademing, doch slechts voor een poosje, Openbaring 11:14. Het tweede wee was weggegaan, maar ziet, het derde wee kwam haast.
II. Hoe de tovenaars er door te schande werden, vers 18. Zij poogden het na te bootsen, maar konden niet. Toen zij in de nabootsing faalden, schijnen zij gepoogd te hebben de plaag weg te nemen, want er volgt hier: zo waren de luizen aan de mensen en aan het vee, in weerwil van hen. Dit dwong hen te erkennen, dat zij overmeesterd waren, Dit is de vinger van God, vers 19, dat is: Die beteugeling, welke ons opgelegd is, moet uit de macht van God voortkomen." God houdt de duivel geketend, en stelt hem perken, beide als bedrieger en als verderver, tot hiertoe zal hij komen en niet verder. De agenten van de duivel hebben, als God het hun toeliet, grote dingen kunnen doen, maar als Hij beslag op hen legde, al was het ook maar met Zijn vinger, dan konden zij niets doen. De onmacht van de tovenaars in dit laatste geval toonde vanwaar zij hun macht hadden in de vorige gevallen, die groter schenen, en dat zij geen macht hadden tegen Mozes, dan die hun van boven was gegeven. Vroeg of laat zal God zelfs aan Zijn vijanden de erkentenis afdwingen van Zijn vrijmacht en oppermacht. Zeker is het, dat zij zich ten slotte zullen hebben te onderwerpen, zoals Julianus de afvallige zich gewonnen gaf, toen hij met stervende lippen beleed: Gij hebt overwonnen, Galileeër! God zal de tegenstanders niet alleen te sterk zijn, maar hen noodzaken om het te erkennen.
III. Hoe Farao in weerwil hiervan zich al meer en meer verhardde, vers 19. Zelf degenen, die hem bedrogen hadden, zeiden nu genoeg om hem uit de droom te helpen, hem zijn dwaling te doen inzien, en toch werd hij gedurig hardnekkiger. Zij, die door Gods woord en de leidingen van Zijn voorzienigheid niet beter gemaakt worden, worden er gewoonlijk nog slechter door gemaakt.