Exodus 7:8-13
Toen Mozes zich voor de eerste maal tot Farao had begeven, heeft hij hem slechts zijn instructies overgelegd, nu wordt hem bevolen zijn geloofsbrieven over te leggen, en hij volgt dit bevel op.
1. Het wordt verondersteld, dat Farao van hen, die hem deze eis deden, zou vorderen dat zij een wonder zullen doen, opdat zij door een daad, die blijkbaar bovennatuurlijk is, zouden bewijzen, dat zij hun opdracht van de God van de natuur hadden ontvangen. Farao zal zeggen: Doet een wonderteken voor u, niet met de begeerte om overtuigd te worden, maar in de hoop dat zij er geen kunnen doen, en dan zal hij een schijn van verontschuldiging hebben, dat hij hun geen geloof schenkt.
2. Zo wordt hun dan bevel gegeven om de staf in een slang te veranderen, overeenkomstig hun instructies Hoofdstuk 4:3. Dezelfde staf, die het signaal zal geven voor andere wonderen, is nu zelf het onderwerp van een wonder, teneinde er eer en vermaardheid aan te geven. Aaron wierp zijn staf op de grond, en hij werd terstond tot een slang, vers 10. Dit was geschikt, niet alleen om Farao's verbazing op te wekken, maar om hem te doen schrikken. Slangen zijn schadelijke, verschrikkelijke dieren, eenvoudig het feit van de daad, die aldus wonderdadig werd voortgebracht, zou zijn hart hebben kunnen verzachten om die God te vrezen, door wiens macht zij was voortgebracht. Dit eerste wonder was wel geen plaag, maar het stond gelijk met de bedreiging van een plaag. Indien het Farao niet deed gevoelen, deed het hem toch vrezen, en dit is Gods wijze van doen met zondaren-Hij komt trapsgewijze tot hen.
3. Het wonder, hoewel te duidelijk om ontkend te worden, is verzwakt, en de overtuiging er van teniet gedaan, door de tovenaars, die het namaakten, vers 11, 12. Mozes was oorspronkelijk onderwezen in de geleerdheid van de Egyptenaren, en nu denken zij dat hij zich gedurende de langen tijd, die hij in de eenzaamheid heeft doorgebracht, in de magische kunsten heeft geoefend en vervolmaakt, daarom wordt nu om de tovenaars gezonden, teneinde met hen te wedijveren. En sommigen denken dat degenen, die van dat bedrijf waren, een bijzonderen wrok tegen de Hebreën koesterden, reeds van de tijd af, dat Jozef hen allen te schande had gemaakt, toen hij de droom heeft uitgelegd, waarvan zij niets wisten te maken, waarom nu ook deze tovenaars wegens die blaam op hun voorgangers Mozes hebben tegengestaan, zoals verklaard wordt in 2 Timotheus 3:8. Hun staven werden slangen, wezenlijke slangen, sommigen denken dat het geschiedde door de kracht Gods, buiten hun bedoeling of verwachting om, teneinde Farao's hart te verharden. Anderen denken dat het geschiedde door de macht van boze engelen, die listiglijk slangen in de plaats van de staven wisten te stellen, terwijl God voor wijze en heilige doeleinden het zinsbedrog toeliet, opdat diegenen een leugen zouden geloven, die de waarheid niet wilden aannemen, en dat de Heer hierin rechtvaardig was. Toch zou dit hebben kunnen helpen om Farao zó te doen schrikken, dat hij er Mozes' eis door inwilligde, ten einde verlost te worden van deze schrikkelijke, onverklaarbare fenomeen, waarvan hij zich aan alle zijden omringd zag. Maar voor het zaad van de slang waren deze slangen geen verschrikking. God laat de leugengeest toe vreemde, wonderlijke dingen te doen, opdat het geloof van sommigen verzocht en openbaar worde, Deuteronomium 13:3, 1 Corinthiërs 11:19, het ongeloof van anderen bevestigd worde, en die vuil is nog vuil worde,
4. Maar in deze strijd draagt Mozes blijkbaar de overwinning weg, de slang, waarin Aärons staf veranderd was, verslond de anderen, hetgeen genoegzaam was om Farao te doen zien aan welke zijde het recht was. Groot is de waarheid, en zij zal overmogen. De zaak van God zal ten slotte ongetwijfeld zegevieren over alle mededinging en tegenspraak en alleen regeren, Daniël 2:44. Op Farao had dit alles echter geen invloed. Daar de tovenaars ook slangen hadden voortgebracht, kon hij nu met de tegenwerping aankomen, dat de zaak tussen hen en Mozes betwistbaar was, want iedere schijn van tegenstand tegen de waarheid en de minste poging om haar het hoofd te bieden dienen hen, die tegen het licht en de liefde er van bevooroordeeld zijn, nog ter rechtvaardiging van hun ongeloof.