Exodus 5:1-2
Mozes en Aäron hebben hun boodschap overgeleverd aan de oudsten van Israël, bij wie zij een goed onthaal vonden, en nu moeten zij gaan handelen met Farao, tot wie zij met gevaar van hun leven komt speciaal Mozes, die misschien vogelvrij was verklaard omdat hij veertig jaar geleden de Egyptenaar had gedood, zou het zijn hoofd hebben kunnen kosten, indien een van de oude hovelingen zich dit tegen hem had herinnerd. Hoe dit zij: de boodschap zelf was onaangenaam, en trof Farao in zijn eer en zijn belangen, twee tere punten, toch geven deze trouwe gezanten kloekmoedig hun boodschap over, of hij haar zal willen horen of niet.
1. Zij doen het verzoek op Godvruchtige, vrijmoedige wijze, vers 1. "Alzo zegt de HEERE, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken." Voor zijn handelen met de oudsten van Israël wordt aan Mozes bevolen God de God van hun vaderen te noemen, maar als zij met Farao handelen, dan noemen zij Hem de God van Israël, en het is de eerste maal, dat wij Hem aldus genoemd vinden in de Schrift. In Genesis 33:20 wordt Hij de God genoemd van Israël, de persoon maar hier is het Israël, het volk. Zij zijn juist begonnen tot een volk geformeerd te worden, en nu wordt God hun God genoemd. Waarschijnlijk was aan Mozes bevolen Hem aldus te noemen, dit kan tenminste afgeleid worden uit Hoofdstuk. 4:22. Mijn zoon is Israël. Het is in die grote naam, dat zij hun boodschap overgeven: Laat Mijn volk trekken.
a. Zij waren Gods volk, en daarom behoort Farao hen niet in dienstbaarheid te houden. God zal Zijn volk erkennen, al zijn zij ook nog zo arm en gering en Hij zal een tijd vinden om hun zaak te bepleiten. "De Israëlieten zijn slaven in Egypte maar zij zijn Mijn volk", zegt God, "en Ik zei. niet altijd dulden, dat zij vertreden worden", zie Jesaja 52:4, 5.
b. Hij verwachtte aanbidding en offeranden van hen, en daarom moeten zij heengaan waar zij hun Godsdienst vrij kunnen verrichten, zonder aanstoot te geven of te ontvangen van de Egyptenaren. God verlost Zijn volk uit de hand van hun vijanden, opdat zij Hem kunnen dienen, dienen met blijdschap, opdat zij Hem een feest zullen houden, wat zij kunnen zolang zij Zijn gunst en tegenwoordigheid hebben, zelfs in een woestijn, een dor en onvruchtbaar land.
2. Farao's antwoord is goddeloos stoutmoedig, vers 2. "Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou?" Opgeëist zijnde om zich over te geven, steekt hij aldus de vlag van de trotsering uit, snoeft tegen Mozes en God, die hem zendt, en weigert bepaald en volstrekt om Israël te laten trekken. Hij wil er niet over onderhandelen, ja niet eens dulden dat er over gesproken werd.
Merk op:
a. Hoe minachtend hij spreekt van de God van Israël: "Wie is Jehovah?" Ik ken hem niet en bekommer mij om hem niet, ik waardeer noch vrees hem". Het is een vreemde naam, waarvan hij nooit tevoren gehoord heeft, maar hij neemt zich voor er zich niet door te laten verschrikken. Israël was nu een veracht verdrukt volk, beschouwd als de staart van de natiën, en naar hun aard en hoedanigheid schatte Farao hun God, en komt tot de gevolgtrekking dat Hij onder de goden geen betere figuur maakt, dan Zijn volk onder de natiën. Verharde vervolgers zijn nog boosaardiger tegen God dan tegen Zijn volk. Zie Exodus 37:23. Onwetendheid en minachting van God zijn op de bodem van al de slechtheid, die er is in de wereld. De mensen kennen de HEERE niet of hebben zeer minne gedachten van Hem, en daarom gehoorzamen zij Zijn stem niet, en willen niets voor Hem laten of opgeven. b. Hoe hovaardiglijk hij spreekt van zichzelf: "wiens stem ik gehoorzamen zou, ik, de koning van Egypte, van een groot volk, zou gehoorzamen aan de God van Israël, een arm tot slavernij gebracht volk? Zal ik, die heers over het Israël Gods, de God van Israël gehoorzamen? Neen, dat is beneden mij, ik versmaad het om op Zijn eis te antwoorden". De kinderen van de ongehoorzaamheid zijn kinderen van de hoogmoed, Job 41:25 Efeze 5:6. Hovaardige mensen achten zich te goed om zich zelfs voor God te buigen, en willen onder geen gezag of bedwang zijn, Jesaja 43:2, 4. Hierin is de kern van de twist: God moet regeren, maar de mens wil niet geregeerd worden. "Ik wil dat Mijn wil geschiede", zegt God, "maar ik wil mijn eigen zin en wil doen", zegt de zondaar.
c. Hoe beslist hij het verzoek afwijst: Ik zal ook Israël niet laten trekken. Van alle zondaars is er geen zo hardnekkig, of zo moeilijk te bewegen om de zonde na te laten. als de vervolgers.