Exodus 5:15-23
Het was wel een zeer grote verlegenheid waarin de ambtlieden zich bevonden, toen zij of hen moesten mishandelen, die onder hen stonden, of zelf mishandeld worden door hen, die over hen gesteld waren, maar het schijnt dat zij, veeleer dan tirannen te zijn, liever zelf getiranniseerd wilden worden, en zij werden het.
Merk op, hoe zij in deze hachelijke omstandigheden:
1. Een rechtvaardige klacht indienen bij Farao: zij gingen en schreeuwden tot Farao vers 15. Waarheen zouden zij zich wenden om hun grieven bloot te leggen, dan tot de opperste macht, die verordineerd is tot bescherming van hen, aan wie onrecht wordt aangedaan? Hoe slecht Farao ook was, hadden zijn onderdanen toch vrijheid, om zich bij hem te beklagen, er was geen wet tegen petitionneren, en het was een zeer bescheiden, doch aandoenlijke voorstelling van hun toestand, vers 16 uw knechten worden geslagen, (en wel zeer streng ongetwijfeld, nu er zo'n gisting heerste) doch de schuld is van uw volk, de schuld van de aandrijvers, die ons weigeren wat nodig is om ons werk te kunnen doen. Het is iets heel gewoons, dat diegenen het strengst zijn in hun afkeuring van anderen, die zelf het afkeurenswaardigst zijn.
Maar wat hielp hun klagen? Niets, wat erg was, werd er slechts nog erger door.
1. Farao hoonde hen, vers 17. Toen zij zich bijna doodgewerkt hadden, zei hij hun, dat zij lui waren. Zij ondergingen de vermoeienis van hard werken, en toch werd hun luiheid ten laste gelegd, terwijl er geen andere grond was voor die beschuldiging, dan dat zij gezegd hadden: laat ons heengaan om te offeren. De beste daden worden zeer dikwijls met de slechtste namen bestempeld, een heilige ijver in het beste van alle werk wordt door velen uitgemaakt als een schuldig veronachtzamen van de zaken van deze wereld. Het is gelukkig voor ons, dat mensen onze rechters niet zullen wezen, maar een God, die de beginselen kent waaruit wij handelen. Zij, die ijverig zijn in het brengen van offeranden aan de HEERE, zullen bij God aan het oordeel ontkomen van de beschuldigende dienstknecht, maar niet bij de mensen.
2. Hij liet hun lasten blijven wat zij waren: Gaat nu heen, arbeidt, vers 18. Van de goddelozen komt goddeloosheid voort, wat kan men van onrechtvaardigen anders dan nog meer onrechtvaardigheid verwachten?
II. Hoe onrechtvaardig zij zich over Mozes en Aäron beklaagden, vers 21. "De HEERE zie op u, en richte het." Dat was niet billijk. Mozes en Aäron hadden voldoende getoond hoe van harte zij de vrijheid van Israël genegen waren, en toch, omdat de dingen niet direct zo voorspoedig gingen, als zij gehoopt hadden, worden zij gesmaad als medeplichtig aan hun slavernij. Zij hadden zich behoren te verootmoedigen voor God, en de schande van hun zonde zichzelf moeten wijten, waardoor het goede van hen afgewend werd, maar, inplaats hiervan, beledigen zij hun beste vrienden en twisten met hen die de werktuigen zullen zijn van hun bevrijding, omdat zich enige moeilijkheden en hindernissen voordoen in de totstandbrenging ervan. Zij, die geroepen worden tot de openbare dienst van God en hun geslacht, moeten verwachten beproefd te worden niet slechts door de boosaardige dreigementen van hun trotse vijanden, maar ook door de onrechtvaardige en onvriendelijke bedilling van onnadenkende vrienden, die alleen naar de uiterlijke schijn oordelen en zeer weinig doorzicht hebben. Wat nu heeft Mozes gedaan in deze benauwdheid? Het bedroefde hem in zijn hart, dat de uitkomst niet beantwoordde aan zijn verwachting, maar die eerder tegensprak, en hun verwijtingen waren snijdend, als een zwaard in zijn gebeente, maar:
1. Hij wendde zich tot de HEERE, vers 22 om er Hem mee bekend te maken, en Hem de zaak voor te stellen. Hij wist dat wat hij gezegd en gedaan had, naar Goddelijke aanwijzing gezegd en gedaan was, daarom acht hij dat de afkeuring die hij er om ontving, op God terugviel, en, evenals Hizkia, spreidt hij het uit voor de HEERE, als belanghebbende bij de zaak, en beroept zich op Hem. Vergelijk hiermee Jeremia 20:7-9 Als wij ons te op een bepaalde tijd in verlegenheid bevinden op de weg van onze plicht, en niet weten hoe te handelen, dan moeten wij de toevlucht nemen tot God, en in gelovig, vurig gebed onze zaak voor Hem blootleggen. Als wij terugtrekken, laat het zijn tot Hem, en niet verder.
2. Hij kwam tot Hem met zijn bezwaar. Hij wist de leiding van Gods voorzienigheid niet overeen te brengen met de beloften en de opdracht, die hij had ontvangen. Is dit nu Gods neerkomen om Israël te verlossen? Moet ik, die gehoopt had een zegen voor hen te zijn, een gesel voor hen worden? Door deze poging om hen uit de kuil te halen, zijn zij er slechte dieper in gezonken." Nu vraagt hij:
A. "HEERE! waarom hebt Gij dit volk kwaad gedaan?" Zelfs dan, als God in genade tot Zijn volk komt, gebruikt Hij soms methodes, die hen kunnen doen denken, dat hun slechts kwaad gedaan wordt. Als de werktuigen ter bevrijding zich richten om te helpen, worden zij bevonden slechts te hinderen, en datgene wordt een strik, wat men gehoopt had tot welzijn te zullen strekken. God laat dit toe, opdat wij leren af te laten van de mens en niet langer te steunen op ondergeschikte oorzaken. Als het volk van God denkt mishandeld te zijn, dan moeten zij tot God gaan in het gebed en bij Hem pleiten, en dat is de weg om, op Gods tijd, een betere behandeling te verkrijgen. Mozes vraagt verder:
B. Waarom hebt Gij mij nu gezonden. Aldus:
a. Klaagt hij over de slechte uitslag van zijn poging. "Farao heeft dit volk kwaad gedaan, en hun verlossing schijnt geen stap dichterbij gekomen." Het kan niet anders dan zwaar drukken op de geest van degenen, die God in Zijn dienst gebruikt, om te zien dat hun arbeid geen goed doet, en nog veel meer om te zien, dat hij kwaad doet, toevallig, maar niet alzo bedoeld. Het is voor een Godvruchtig leraar verdrietig te bemerken, dat zijn pogingen om de mensen van zonde te overtuigen en tot bekering te brengen, slechts hun bederf prikkelen, hen in hun vooroordelen bevestigen, hun hart verharden en hen verzegelen in hun ongeloof. Dit maakt dat hij, evenals de profeet, Ezechiël 3:14, bitter bedroefd heengaat. Of,
b. Hij vraagt wat nu verder gedaan moet worden. "Waarom hebt Gij mij nu gezonden?" dat is: "Welke methode moet ik nu volgen, om mijn opdracht te volvoeren?" Teleurstellingen in ons werk moeten ons niet wegdrijven van onze God, maar ons doen bedenken waarom wij gezonden zijn.