Exodus 3:16-22
Mozes ontvangt meer hier bijzondere instructies omtrent zijn werk, en hem wordt van tevoren de goede uitslag ervan meegedeeld.
1. Hij moet handelen met de oudsten van Israël en de verwachting van een spoedig vertrek naar Kanaän bij hen opwekken, vers 16,17, Hij moet hun als een trouw gezant meedelen wat God tot hem gezegd heeft. Wat de leraren van God hebben ontvangen, moeten zij aan de gemeente overleveren, en niets van wat nuttig is terughouden. Leg daar de nadruk op, vers 17, "Daarom heb Ik heb gezegd: Ik zal ulieden uit de verdrukking van Egypte opvoeren", dat is genoeg om hen te overtuigen: Ik heb het gezegd, en: Zou Hij het zeggen en niet doen? Voor ons zijn zeggen en doen twee, maar niet voor God, want Hij is één van zin, wie zal Hem dan af keren? "Ik heb het gezegd en geheel de wereld kan het niet tegenspreken", Zijn raad zal bestaan.
Bij de oudsten van Israël zal hij welslagen, wordt hem gezegd, vers 18. "zij zullen uw stem horen", en u niet verstoten, zoals zij veertig jaren geleden gedaan hebben. Hij, die door Zijn genade het hart neigt en het oor opent, kon van tevoren zeggen: Zij zullen uw stem horen, daar Hij besloten had hen gewillig te maken in de dag van Zijn heirkracht.
2. Hij moet handelen met de koning van Egypte, vers 18.
a. Zij moeten niet beginnen met een eis, maar met een nederig verzoek die zachte en onderdanige methode moet eerst beproefd worden, zelfs bij iemand, op wie-dit was zeker-zij geen uitwerking zou hebben: "Wij smeken u, laat ons gaan".
b. Zij moeten Farao slechts verlof vragen om naar de berg Sinaï te gaan ter aanbidding van God, en hem niet zeggen dat zij voor goed weggaan naar Kanaän, dat zou direct afgewezen zijn, maar dit was een bescheiden en redelijk verzoek, en zijn weigering ervan was volstrekt niet goed te keuren maar rechtvaardigde hen in hun geheel verlaten van zijn koninkrijk. Indien hij hun geen verlof wilde geven om te gaan offeren bij de berg Sinaï, dan gaan zij met recht zonder verlof heen om zich te vestigen in Kanaän. De roepingen en bevelen, die God aan de zondaren doet toekomen, zijn in zichzelf zo volkomen redelijk en zij worden op zo zachtmoedige, vriendelijke wijze tot hen gebracht, dat de ongehoorzame wel voor altijd de mond gestopt moet zijn.
Wat betreft zijn welslagen bij Farao, wordt hem hier gezegd:
a. Dat noch nederig verzoek noch overreding of nederig vertoog iets bij hem zal vermogen, nee, ook zelfs geen machtige uitgestrekte hand van tekenen en wonderen, vers 19. "Ik weet dat de koning van Egypte ulieden niet zal laten gaan." God zendt Zijn boden tot hen, wier hardheid en hardnekkigheid Hij kent en voorziet, opdat het blijke dat Hij wil, dat zij zich zullen bekeren en leven
b. Dat plagen hem er toe zullen dwingen vers 20, "Ik zal Egypte slaan en daarna zal hij u laten vertrekken." Diegenen zullen voorzeker gebroken worden door de kracht van Gods hand, die zich niet willen buigen voor de kracht van Zijn Woord, wij kunnen er zeker van wezen dat als God oordeelt Hij zal overwinnen. c. Dat zijn volk vriendelijker voor hen zal wezen, en hen bij hun vertrek voorzien zal van overvloed van zilveren en gouden vaten en klederen, tot hun grote verrijking, vers 21, 22. "Ik zal dit volk genade geven in de ogen van de Egyptenaren".
Ten eerste: God maakt soms niet alleen dat de vijanden van Zijn volk met hen bevredigd worden, maar dat zij hun vriendelijkheid betonen.
Ten tweede: God heeft veel middelen om de rekeningen te vereffenen tussen hen, die onrecht lijden, en hen, die hun onrecht doen, de verdrukte recht te doen, en hen, die onrecht gedaan hebben, te noodzaken om vergoeding te doen, want Hij is gezeten op de rechterstoel en oordeelt in rechtmatigheid.