17. Bewaar uwen voet, als gij tot het huis Gods ingaat, 1) opdat gij in heilige gemoedsstemming komt en alles achterlaat, wat uwe aandacht zou kunnen storen, en zijt liever nabij om te horen de stem Gods, die daar meer in het bijzonder tot uw hart doordringt, opdat gij daarna Gods wil gaarne zoudt doen (
1 Samuël 15:22), dan 2) om der zotten slachtoffer te geven, waarmee zij, die noch Gods heiligheid, noch hun eigene zonde recht erkennen, den heiligen God menen te verzoenen en hun geweten te bevredigen (
Spreuken 21:3.
Jesaja 1:11,
Hosea 6:6). Volg hen niet na, want zij weten niet, dat hun offer, dat zij met een goddeloos hart brengen, een gruwel is voor God (
Spreuken 21:27), en dat zij met zulke offeranden God niet dienen, maar kwaad doen.
1) Bewaart zegt hij, dat is, let op den gang uws voets, laat die voorzichtig zijn, overdenk uwen gang, uwe treden, opdat gij geen misstap doet, loop niet haastig en onbezonnen derwaarts, maar met bedachtzaamheid, met overleg, en ziet toe, dat uwe gedachten noch in het derwaarts gaan, noch in het aldaar vertoeven niet los en wuft heen zwerven en als van tak op tak huppelen, of nu op dit dan op dat werelds voorwerp blijven peinzen. Neen, de godsdienst eist den gehelen mens..
2) Beter: dan dat de zotten slachtoffers geven, want hun onwetendheid doet hun zondigen. De Prediker maakt hier onderscheid tussen het gaan naar Gods huis, om daar waarlijk te vernemen, wat de Heere God te zeggen heeft, en het vormelijk naar Gods huis gaan, of door een slachtoffer de zonde weer willen goed maken. Wezen en vorm wordt hier tegenover elkaar gesteld. Zie ook over dit vers de inleiding van het volgende Hoofdstuk, waartoe het naar zijnen inhoud behoort.