Lukas 20:27-38
Dit gesprek met de Sadduceeën hebben wij tevoren gehad, juist zoals wij het hier hebben, behalve dat Christus hier een meer volledige beschrijving geeft van den toekomenden staat. Merk hier op: l. In alle eeuwen zijn er mensen geweest van een verdorven geest, die gepoogd hebben de fundamentele beginselen van den geopenbaarden Godsdienst omver te werpen. Gelijk er thans deïsten zijn, die zich vrijdenkers noemen, maar in werkelijkheid valsdenkers zijn, zo waren er in den tijd van onzen Heiland op aarde Sadduceeën, die spotten met de leer van de opstanding der doden en het leven van de toekomende wereld, hoewel die duidelijk geopenbaard waren in het Oude Testament, en artikelen waren van de Joodse geloofsbelijdenis. De Sadduceeën, welke, tegensprekende, zeggen dat er geen opstanding is, geen toekomende staat, hetgeen van anastasis de betekenis kan wezen, niet slechts geen terugkeer tot leven van het lichaam, maar geen voortduring van het leven der ziel, geen wereld van geesten, geen staat van beloning of vergelding van hetgeen in het lichaam is geschied. Neem dit weg, en er blijft geen Godsdienst meer over.
II. Het is iets gans gewoons dat zij, die zich ten doel stellen de waarheid Gods te ondermijnen, haar verwarren en van allerlei moeilijkheden omringen. Dat hebben ook deze Sadduceeën gedaan. Toen zij het geloof der mensen in de leer der opstanding wilden verzwakken, stelden zij ene vraag, gegrond op de onderstelling der opstanding, die, naar zij dachten, niet op bevredigende wijze beantwoord kon worden. Het verhaal, dat zij deden, was misschien waar, het kon tenminste gebeurd zijn, dat ene vrouw achtereenvolgens zeven mannen heeft gehad. Wiens vrouw nu zal zij wezen in de opstanding? Maar het deed er volstrekt niet toe, wiens vrouw zij was, want als de dood een einde maakt aan die betrekking, dan wordt zij daarna nooit weer vernieuwd of hersteld.
III. Er is een groot verschil in den toestand van de kinderen der mensen op aarde en dien van de kinderen Gods in den hemel, een zeer grote ongelijkheid tussen deze wereld en die wereld, en wij doen onrecht aan ons zelven en aan de waarheid van Christus, als wij naar onze tegenwoordige genietingen in de wereld ons een denkbeeld willen vormen van de wereld der geesten.
1. De kinderen der mensen in deze wereld huwen en worden ten huwelijk uitgegeven. De kinderen dezer eeuw, dit geslacht, de goeden en de slechten, trouwen en geven hun kinderen ten huwelijk. Veel van hetgeen wij in deze wereld te doen hebben bestaat in het opbouwen en verzorgen van een gezin. Veel van ons genot in deze wereld vinden wij in onze bloedverwanten, onze vrouwen en kinderen, dat is de neiging der menselijke natuur. Het huwelijk is ingesteld tot lieflijkheid en vertroosting van het menselijk leven in deze wereld, waar wij ons lichaam met ons omdragen. Het is ook een middel tegen de hoererij, opdat natuurlijke begeerten niet verdierlijken, maar geleid en in toom worden gehouden. De kinderen dezer wereld sterven en verdwijnen van het toneel, en daarom trouwen zij en geven hun kinderen ten huwelijk, opdat de wereld van het mensdom voorzien worde van de nodige rekruten, zodat, als het ene geslacht voorbijgaat, een ander geslacht in zijn plaats treedt, en er sommigen zijn van hun nakomelingen, aan wie zij de vruchten van hun arbeid kunnen nalaten, en inzonderheid opdat de uitverkorenen Gods in latere eeuwen daar zullen zijn om een heilig zaad te verwekken dat den Heere dient, Maleachi 2:15, en Hem aangeschreven wordt tot in geslachten.
2. De toekomende wereld is gans wat anders, zij wordt die eeuw, of die wereld genoemd, bij wijze van nadruk, en om de voortreffelijkheid er van aan te duiden boven de andere. Er zijn meer werelden dan een, een tegenwoordige, zichtbare wereld, en een toekomende, onzichtbare wereld, en het is voor een iegelijk onzer van groot belang om de werelden te vergelijken, deze wereld met die wereld, en in onze gedachten en zorgen de voorkeur te geven aan die, welke het verdient. Merk nu op:
a. Wie de inwoners zullen zijn van die wereld: Die waardig geacht zullen worden haar te verwerven, dat is: die deel hebben aan Christus' verdiensten, waarmee Hij haar voor ons gekocht heeft, en er een heilige geschiktheid voor hebben, die in hen gewerkt is door den Geest, wiens werk het is ons er voor toe te bereiden. Zij hebben geen wettelijke waardigheid vanwege iets dat in hen is, of door hen gedaan is, maar een evangelische waardigheid, vanwege den onschatbaren prijs, dien Christus betaald heeft voor de verkregen verlossing. Het is een toegerekende waardigheid, door welken wij verheerlijkt worden, zowel als een toegerekende gerechtigheid, door welke wij gerechtvaardigd worden, kataxioothentes, zij zijn met die wereld in overeenstemming gebracht, dat is: er voor geschikt gemaakt. Het strijdige, dat in de verdorven natuur is, is weggenomen, en door de genade Gods zijn de neigingen der ziel in overeenstemming gebracht met dien staat. Door genade zijn zij waardig gemaakt en waardig geacht die eeuw-dat is die wereld-te verwerven. Dat geeft te kennen dat er enige moeilijkheid bestaat om er te komen, en gevaar van er niet te komen. Wij moeten alzo lopen, dat wij dien prijs verkrijgen. Zij zullen de opstanding der doden verkrijgen, dat is: de zalige opstanding, want die der verdoemenis (zoals Christus haar noemt, Johannes 5:29) is veeleer ene opstanding ten dode, een tweede dood, een eeuwige dood, dan van den dood.
b. Wat de zalige staat der inwoners van die wereld zal zijn, kunnen wij evenmin beschrijven als bevatten, 1 Corinthiërs 2:9. Zie wat Christus er hier van zegt. Zij zullen noch trouwen noch ten huwelijk uitgegeven worden. Zij, die ingegaan zijn tot de vreugde huns Heeren, zijn geheel vervuld daarvan, en hebben de vreugde niet nodig van den bruidegom in zijne bruid. De liefde in die wereld der liefde is volkomen als de liefde der engelen, die de reinste liefde, waarmee wij ons in deze wereld der zinnen behagen, in de schaduw stelt, ja haar geheel doet wegzinken. Waar het lichaam zelf een geestelijk lichaam zal zijn, daar zullen de genietingen der zinnen gebannen zijn, en waar een volkomenheid is van heiligheid, daar is geen huwelijk nodig als voorbehoedmiddel tegen de zonde. In dat nieuwe Jeruzalem zal niets binnenkomen, dat verontreinigt. Zij kunnen niet meer sterven, en dat wordt opgegeven als een reden waarom zij niet trouwen. In deze wereld van sterven moet het huwelijk bestaan, ten einde de leegten aan te vullen, die door den dood worden veroorzaakt, maar waar geen begrafenissen zijn, is ook geen behoefte aan bruiloften. Dat is de kroon der vertroosting en lieflijkheid van die wereld, dat daar geen dood is, die alle schoonheid ontsiert, alle lieflijkheid van deze wereld omfloerst. Hier heerst de dood, daar is hij voor eeuwig buitengesloten. Zij zijn den engelen gelijk. Bij de andere evangelisten werd gezegd: "Zij zijn als de engelen" -hoos aggeloi -maar hier wordt gezegd, dat zij den engelen gelijk zijn isaggeloi -de gelijken der engelen, zij hebben ene heerlijkheid en zaligheid, die in geen enkel opzicht minder is dan die der heilige engelen. Zij hebben hetzelfde gezicht, worden gebruikt in dezelfden dienst, delen in dezelfde vreugde als de heilige engelen. De heiligen zullen, als zij in den hemel komen, genaturaliseerd worden, en, hoewel van nature vreemdelingen, hebben zij toch, dit burgerrecht voor een grote som verkregen hebbende, die Christus voor hen betaald heeft, in alle opzichten gelijke voorrechten met hen, die vrijgeboren waren, als de engelen namelijk, die de inboorlingen zijn van dat land. Zij zullen de metgezellen zijn van de engelen, omgang hebben met die zalige geesten, die hen tederlijk liefhebben, en met een ontelbaar gezelschap, tot hetwelk zij thans in geloof, hoop en liefde gekomen zijn. Zij zijn de kinderen Gods, en zo zijn zij dan als de engelen, die kinderen Gods genoemd worden. In het erfdeel der kinderen zal de aanneming tot kinderen voltooid zijn. Vandaar dat van de gelovigen gezegd wordt, dat zij verwachten de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing des lichaams, Romeinen 8:23. Want voordat het lichaam verlost is uit het graf, is de aanneming niet volkomen. Nu zijn wij kinderen Gods, 1 Johannes 3:2. Wij hebben den aard en de gezindheid van kinderen, maar die zullen pas volkomen en volmaakt zijn als wij in den hemel komen. Zij zijn kinderen der opstanding, dat is: zij zijn bekwaam gemaakt voor het werk en de genietingen van den toekomenden staat, zij zijn voor die wereld geboren, zij behoren tot dat huisgezin, zij zijn er hier voor opgevoed, en zullen er daar hun erfdeel in hebben. Zij zijn kinderen Gods, daar zij kinderen zijn der opstanding. God erkent alleen diegenen als Zijne kinderen, die kinderen zijn der opstanding, die van boven geboren zijn, verwant zijn aan de wereld der geesten, en toebereid zijn voor die wereld, kinderen zijn van dat gezin.
IV. Het is een ontwijfelbare waarheid, dat er een leven is na dit leven, en van die waarheid zijn uitnemende ontdekkingen gedaan in de eerste eeuwen der kerk, vers 37, 38. Mozes heeft dit aangewezen, daar het Mozes werd aangewezen bij den doornenbos, en hij heeft het ons aangewezen, "als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Isaak's en den God Jakobs". Abraham, Izaak en Jakob waren toen dood ten opzichte van onze wereld, zij hadden haar vele jaren tevoren verlaten, en hun lichaam was in de spelonk van Machpela tot stof vergaan, hoe heeft God dan kunnen zeggen, niet: "Ik was, maar Ik ben de God van Abraham? Het is ongerijmd dat de levende God en fontein des levens tot hen in betrekking blijft als hun God, indien er van hen niets meer in wezen was, dan hetgeen in de spelonk lag, niet onderscheiden van het gewone stof. Wij moeten dus tot de gevolgtrekking komen, dat zij toen in een andere wereld in wezen waren, want God is niet een God der doden, maar der levenden. Lukas voegt er hier bij: Want zij leven Hem allen, dat is: allen die, evenals zij, ware gelovigen zijn, hoewel zij gestorven zijn, leven, hun zielen leven, de geest keert weer tot God, die hem gegeven heeft, Prediker 12:7, zij leven Hem als den Vader der geesten, en, aan het einde des tijds zullen door de kracht Gods hun lichamen leven, want Hij roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren, omdat Hij de God is, die de doden levend maakt, Romeinen 4:17. Maar er is nog meer in: als God zich den God noemt van deze aartsvaders, dan bedoelt Hij dat Hij hun heil en hun deel was, een almachtige, algenoegzame God voor hen, Genesis 17:1, hun zeer groot loon, Genesis 15:1. Nu blijkt duidelijk uit hun geschiedenis, dat Hij in deze wereld nooit voor hen gedaan heeft hetgeen beantwoordt aan de ware bedoeling en den vollen omgang van die grote onderneming, en daarom moet er een leven zijn na dit leven, waarin Hij datgene voor hen doen zal, wat een volkomen kwijting zal zijn van die belofte-dat Hij hun een God zal zijn, hetgeen Hij instaat is te doen, want zij leven Hem allen, en Hij bezit hetgeen iedere ziel gelukkig kan maken, die Hem leeft, genoeg voor allen, genoeg voor ieder.