Mattheus 22:23-33
Wij hebben hier Christus' redetwist met de Sadduceeën betreffende de opstanding, het was op dezelfden dag toen Hij door de Farizeeën werd aangevallen over het betalen van schatting. Satan was nu meer dan ooit bezig om Hem te ontroeren, het was een ure der verzoeking, Openbaring 3:10. De waarheid, gelijk zij is in Jezus, zal in de ene of andere bijzonderheid er van tegengestaan worden. Merk hier op:
I. Den tegenstand der Sadduceeën tegen een zeer gewichtige waarheid van den Godsdienst. Zij zeggen: Er is gene opstanding, gelijk er dwazen zijn, die zeggen: Er is geen God. Deze ketters werden Sadduceeën genoemd naar een zekeren Tsadok, een discipel van Antigonus Sochaeus, die omstreeks twee honderd vier en tachtig jaar voor Christus gebloeid heeft. Zij liggen onder zware afkeuring van de schrijvers van hun eigen volk, als mensen van een lagen en loszinnigen levenswandel, waartoe hun beginselen ook leidden. Van alle Joodse sekten waren zij het geringst in aantal, maar meestal personen van rang en aanzien. Gelijk de Farizeeën en de Esseërs Plato en Pythagoras schenen te volgen, zo waren de Sadduceeën veelszins van den geest en de gezindheid der Epicureërs. Zij ontkenden de opstanding. Er is geen toekomende staat, zeiden zij, geen leven na dit leven. Als het lichaam sterft, wordt de ziel vernietigd en sterft met het lichaam. Er is geen toestand van straf of beloning in de andere wereld, geen toekomend oordeel, geen hemel en geen hel. Zij beweerden, dat er, buiten God, geen geest is, Handelingen 23:8, dat er niets is dan stof en beweging. Zij wilden van geen Goddelijke ingeving der profeten weten, noch van enigerlei openbaring van den hemel, behalve hetgeen door God zelf was gesproken op den berg Sinaï. Nu heeft Christus' leer de grote waarheid der opstanding en van een toekomenden staat in een veel helderder licht geplaatst dan waarin zij totnutoe gezien werd, en daarom hebben de Sadduceeën er zich zeer bijzonder tegen gekant. De Farizeeën en Sadduceeën waren in tweestrijd met elkaar, en toch samen verbonden tegen Christus. Christus' Evangelie heeft altijd geleden van de bijgelovige, aan uitwendige plechtigheden verslaafde geveinsden van den ene kant, en van onheilige deïsten en ongelovigen van den anderen kant. De eersten misbruik makende van de gedaante der Godzaligheid, de laatsten haar verachtende, maar beiden er de kracht van ontkennende.
II. Hun tegenwerping tegen deze waarheid, genomen uit het verondersteld geval ener vrouw, die achtereenvolgens zeven echtgenoten heeft gehad. Nu nemen zij aan dat, zo er ene opstanding is, dit dan een terugkeren moet zijn tot den toestand, waarin wij thans zijn, en tot dezelfde omstandigheden, zoals het denkbeeldige Platonische jaar. Is dit nu zo, dan is het de grootste ongerijmdheid, dat deze vrouw in den toekomenden staat zeven echtgenoten zal hebben, of anders is er de onoverkomelijke moeilijkheid wie van hen haar zal hebben, hij, die haar het eerst heeft gehad, of hij, die haar het laatst had, of hij, dien zij het meest bemind, of hij, met wie zij het langst heeft geleefd.
1. Zij verwijzen naar de wet van Mozes ten opzichte van deze zaak, vers 24, dat de naaste bloedverwant de weduwe zal huwen van den man, die kinderloos is gestorven, Deuteronomium 25:5, en wij zien die wet in praktijk gebracht in Ruth 4:5. Het was een staatkundige wet, gegrond op de bijzondere inrichting van den Joodsen staat, om de onderscheiding der geslachten en hun erfdelen in stand te houden, waarvoor door de regering bijzondere zorg werd gedragen. 2. Zij komen met een geval-of het werkelijk gebeurd of slechts door hen opgeworpen is, doet er niets toe, want zo het niet gebeurd is, zou het toch kunnen gebeuren. Er waren zeven broeders, die na elkaar dezelfde vrouw trouwden, vers 25-27. Dit geval nu veronderstelt:
a. De verwoesting, die soms door den dood veroorzaakt wordt in geslachten, hoe dikwijls een gans gezin, een gehele schaar van broeders als weggemaaid wordt, zelden (zo als het in dit geval wordt voorgesteld) naar orde van ouderdom (het land der duisternis kent gene orde). Het vermindert gezinnen, die grotelijks waren vermenigvuldigd, Psalm 107:38, 39. Als daar een gezin was van zeven volwassen broeders, dan was dat een gezin, ene familie, die naar ogenschijn opgebouwd zou worden. Toch is er in dat gezin zoon noch neef, niemand, die in zijne woning overig is, Job 18:19. Wèl mogen wij dus zeggen: Zo de Heere het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan. Laat niemand zich verzekerd houden, dat zijn naam en geslacht zal voortduren, tenzij hij een verbond gesloten hebbe met den dood, of ene overeenkomst zij aangegaan met het graf.
b. De gehoorzaamheid van deze zeven broeders aan de wet, hoewel zij onder zekere voorwaarden zich aan die gehoorzaamheid hadden kunnen onttrekken, Deuteronomium 25:7. Ontmoedigende omstandigheden mogen ons niet afhouden van onzen plicht, want wij moeten ons laten besturen door den regel, en niet door de omstandigheden. Menigeen zou zeggen, dat de zevende broeder, die de laatste was om met deze weduwe te trouwen, wel een zeer kloekmoedig man moet geweest zijn. Ik zou zeggen, dat hij, zo hij het uit zuivere gehoorzaamheid aan God gedaan heeft, een goed man moet geweest zijn, iemand die nauwgezet zijn plicht betrachtte. Maar ten laatste na allen is ook de vrouw gestorven. Het overleven van anderen is toch slechts een uitstel, zij, die lang leven en hun bloedverwanten en vrienden den een na den ander zien sterven, worden daardoor niet onsterfelijk, de dag komt, wanneer ook zij vallen. De bittere beker des doods gaat rond, en vroeg of laat moeten wij er allen uit drinken, Jeremia 25:26.
3. Zij opperen ene moeilijkheid betreffende dit geval, vers 28, In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven? Gij kunt niet zeggen, wiens vrouw zij zal wezen, en daarom moeten wij tot de gevolgtrekking komen, dat er gene opstanding is. De Farizeeën, die beleden in de opstanding te geloven, hadden er grove, vleselijke begrippen van, evenals van den toekomenden staat. Zij verwachtten er, evenals de Turken in hun paradijs, de genietingen te vinden van het zinnelijke leven, waardoor de Sadduceeën er wellicht toe gekomen zijn om de zaak zelf te ontkennen, want er is niets, dat het atheïsme en het ongeloof meer in de hand werkt, dan de vleselijke gezindheid van hen, die den godsdienst dienstbaar maken aan hun zinnelijke lusten en wereldlijke belangen, terwijl zij, die dwalen, de waarheid ontkennen, wordt zij door de bijgelovigen aan hen verraden. Nu zijn zij met deze tegenwerping afgegaan op de onderstelling der Farizeeën. Het is niet vreemd, dat vleselijk-gezinde mensen zeer valse denkbeelden koesteren van geestelijke en eeuwige dingen. De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid, 1 Corinthiërs 2:14. Laat de waarheid in een helder licht gesteld worden, en dan verschijnt zij in haar volle kracht.
III. Christus' antwoord op deze tegenwerping. Door hun onwetendheid te bestraffen en hun dwaling te herstellen, toont Hij, dat de tegenwerping niets is dan een drogrede, en dus van gene betekenis is.
1. Hij bestraft hun onwetendheid, vers 29. Gij dwaalt. Naar het oordeel van Christus zijn zij grotelijks in dwaling, die de opstanding en den toekomenden staat loochenen. Christus bestraft hen hier met de zachtmoedigheid der wijsheid, en niet met die scherpheid (wat daar nu ook de reden van moge geweest zijn), die Hij soms tegenover de overpriesters en ouderlingen heeft gebruikt. Gij dwaalt, niet wetende. Onwetendheid is de oorzaak van dwaling, zij, die in duisternis zijn, missen den weg. Daarom weerstaan de beschermers der dwaling het licht, en doen zij wat zij kunnen, om den sleutel der kennis weg te nemen. Gij dwaalt in deze zaak, niet wetende. Onwetendheid is de oorzaak van dwaling omtrent de opstanding en den toekomenden staat. Wat zij is in de bijzonderheden, weten ook de besten en de wijsten niet, het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen, het is ene heerlijkheid, die nog geopenbaard moet worden. Als wij spreken van den staat der zielen, afgescheiden van het lichaam, van de opstanding des lichaams, en van de eeuwige zaligheid en rampzaligheid, dan geraken wij spoedig in verlegenheid. Vanwege onze duisternis kunnen wij onze spraak, onze woorden, niet ordenen, maar dat zij is, dat is ene zaak, waaromtrent wij niet in het duister gelaten zijn. God zij er voor geloofd, dat wij dit niet zijn, en zij, die haar loochenen, maken zich schuldig aan voorgewende onwetendheid. Het schijnt, dat zulke Sadduceeën ook onder belijdende Christenen gevonden werden. Sommigen onder u zeggen, dat er gene opstanding der doden is, 1 Corinthiërs 15:12, en sommigen, die haar in de werkelijkheid ontkenden, door er ene allegorie van te maken, zeiden: dat de opstanding alrede geschied is. Zij weten de kracht Gods niet, waaruit de mensen tot de gevolgtrekking kunnen komen, dat er ene opstanding en toekomenden staat zijn kan. Onwetendheid, ongeloof, of zwak geloof aan Gods macht, is op den bodem van vele dwalingen, inzonderheid van de dwaling van hen, die de opstanding loochenen Als ons gesproken wordt van het bestaan en de werking der ziel in den staat der afscheiding van het lichaam, en inzonderheid daarvan, dat een dood lichaam, hetwelk eeuwenlang in het graf heeft gelegen en tot gewoon stof is overgegaan, opgewekt zal worden in datzelfde lichaam, dat het geweest is, dat het wederom zal leven, zich zal bewegen, zal handelen, dan zijn wij gereed te zeggen: Hoe kunnen deze dingen zijn? Als iemand sterft, hoe kan hij dan weer leven? En omdat de ijdele mens het hoe daarvan niet kan begrijpen, trekt hij de waarheid er van in twijfel, terwijl al deze moeilijkheden zouden verdwijnen, indien wij geloofden in God, den almachtigen Vader, en dat er bij God niets onmogelijk is. In de eerste plaats hebben wij ons dus hieraan vast te houden, dat God almachtig is en doen kan wat Hij wil, en dan is er geen reden om te twijfelen, dat Hij doen zal wat Hij heeft beloofd. Indien dit nu zo is, waarom wordt het bij ulieden dan ongelooflijk geoordeeld, dat God de doden opwekt? Handelingen 26:8. Zijne macht overtreft verre de krachten der natuur. Zij weten de Schriften niet, de Schriften, die beslist verklaren, dat er ene opstanding en een toekomende staat zijn zal. De macht Gods, door Zijne belofte als ten onderpand en waarborg gesteld, is voor het geloof het fondament om op te bouwen. Nu zeggen de Schriften duidelijk en beslist, dat de ziel onsterfelijk is, en dat er na dit leven een ander leven is, beide de wet en de profeten wezen heen naar dit einddoel, dat er ene opstanding der doden wezen zal, beide der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen, Handelingen 24:14, 15. Job wist het, Job 19:26. Ezechiël heeft het voorzien, Ezechiël 37, en Daniël heeft het duidelijk voorzegd, Daniël 12:2. Christus is opgewekt ten derden dage naar de Schriften, 1 Corinthiërs 15:4, en dat zullen ook wij. Zij, die dit ontkennen, zijn dus of weinig of niet vertrouwd met de Schriften, of zij hebben er de ware betekenis niet van gevat. Onbekendheid met de Schrift is de oorzaak van veel kwaad.
2. Hij herstelt hun vergissing en hun grove denkbeelden van de opstanding en den toekomenden staat, en stelt deze leer op een hechten en blijvenden grondslag. Die staat is niet gelijk aan dien, waarin wij ons op aarde bevinden: Zij nemen niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven. In onzen tegenwoordigen staat is het huwelijk noodzakelijk. Het was ingesteld in den staat der onschuld. Welke veronachtzaming van andere instellingen er ook geweest moge zijn, deze is nooit afgeschaft of ter zijde gesteld, en zal dit ook niet worden. In de oude wereld-voor den zondvloed-namen zij ten huwelijk en werden ten huwelijk uitgegeven. Toen de Joden in Babylon van andere inzettingen waren afgesneden, werden zij toch nog vermaand zich vrouwen te nemen, Jeremia 29:6. Alle beschaafde volken waren zich bewust van den plicht van het huwelijksverbond, en het wordt ook vereist ter voldoening der begeerten, en om het ontbrekende in de menselijke natuur aan te vullen. Maar in de opstanding is het huwelijk onnodig. Of er in het verheerlijkte lichaam ene onderscheiding van sekse zal wezen, wordt door sommigen met al te veel spitsvondigheid betwist (de ouden waren in hun gevoelen hieromtrent verdeeld), maar hetzij dit onderscheid er al of niet wezen zal, zeker is het, dat er gene verbinding of vereniging zijn zal. Waar God alles is in allen, zal er gene behoefte wezen aan ene hulpe. Het lichaam zal geestelijk wezen, en daarin zullen geen vleselijke begeerten zijn, die bevredigd moeten worden. Als het mystieke lichaam volkomen en volledig zal wezen, dan zal het niet nodig wezen om naar een Godvruchtig zaad uit te zien, hetgeen een der doeleinden was van de instelling des huwelijks, Maleachi 2:15. In den hemel zal er geen vergaan of verval van krachten zijn in de personen, en daarom is er ook gene behoefte aan spijs en drank, geen verval of ondergang van het geslacht, en dus is er gene behoefte aan het huwelijk, waar geen dood meer is, Openbaring 21:4, daar zijn ook gene geboorten meer nodig. De huwelijke staat brengt genietingen, blijdschap en zorgen mede, die er zich in begeven worden vermaand om hem te beschouwen als onderhevig aan wisselvalligheden, en daarom ook zeer geschikt voor deze wisselvallige wereld met hare vreugde en haar leed, haar voorspoed en haar tegenspoed. Maar gelijk in de hel, waar geen blijdschap is, de stem des bruidegoms en der bruid in het geheel niet meer gehoord zal worden, zo zal er in den hemel, waar alles een en al vreugde is en gene smart of verdriet gevonden wordt, geen ten huwelijk geven of nemen zijn. De genietingen van dien staat zijn rein en geestelijk, en spruiten voort uit hun aller huwelijk met het Lam, maar niet met elkaar. Die staat is gelijk aan dien der engelen in den hemel, Zij zijn als engelen Gods in den hemel, zij zijn aldus, dat is: on getwijfeld zullen zij aldus zijn. In Christus, hun Hoofd, zijn zij reeds aldus, Hij heeft hen mede gezet in den hemel, Efeze 2:6. De geesten van de volmaakt rechtvaardigen zijn van dezelfde corporatie als het talrijke gezelschap der engelen, Hebreeën 12:22, 23. In zijne schepping is de mens een weinig minder gemaakt dan de engelen, Psalm 8:6, maar in zijn volkomen verlossing en vernieuwing zal hij als de engelen zijn, rein en geestelijk als de engelen, gelijk deze zalige serafs, kennende en liefhebbende gelijk zij, en met hen God immer prijzende. Het lichaam der heiligen zal opgewekt worden, onverderflijk en heerlijk, vaardig en krachtig, gelijk dat der reine en heilige geesten. 1 Corinthiërs 15:42 enz. Wij moeten thans den wil van God begeren en trachten te doen, gelijk de engelen hem doen in den hemel, omdat wij hopen weldra te zijn als de engelen, die altijd het aangezicht des Vaders zien. Hij zegt niets van den staat der goddelozen in de opstanding, maar, naar gevolgtrekking, zullen zij wezen als de duivelen, wier lust en begeerte zij gedaan hebben.
IV. Christus' bewijsgrond ter bevestiging van deze grote waarheid der opstanding en van een toekomenden staat. Daar de zaak van zo groot belang was, achtte Hij het niet genoeg (gelijk bij andere twistgesprekken) om het valse van de redenering in hun tegenwerping in het licht te stellen, maar ondersteunde Hij de waarheid door een deugdelijk argument, een onweerlegbaar bewijs, want Christus brengt het recht voort tot waarheid, zowel als tot overwinning, en Hij stelt Zijne volgelingen instaat om reden te geven van de hope, die in hen is. Merk nu op: 1. Waaraan Hij Zijn argument ontleende-aan de Schrift, dat is het grote magazijn of tuighuis, dat ons voorziet van geestelijke wapenen, ten aanval, zowel als ter verdediging.
Er is geschreven, dat is voor ons het zwaard van Goliath. Hebt gij niet gelezen hetgeen van God tot ulieden gesproken is? Wat de Schrift zegt, is gesproken door God. Wat tot Mozes gezegd was, is tot ons gezegd, gezegd en geschreven ter onzer lering. Het is van het hoogste belang voor ons te lezen en te horen wat God heeft gesproken, omdat het tot ons gesproken is. Het argument is ontleend aan de vijf boeken van Mozes, omdat de Sadduceeën, naar sommigen denken, alleen dezen-of tenminste dezen voornamelijk, als canonieke schriften erkenden, daarom heeft Christus Zijn bewijsgrond aan de meest onbetwistbare bron ontleend. De latere profeten bevatten meer duidelijk uitgedrukte bewijzen van een toekomenden staat dan de wet van Mozes bevat, want hoewel de wet van Mozes de onsterflijkheid der ziel en een toekomenden staat veronderstelt, als beginselen van hetgeen men den natuurlijken Godsdienst noemt, wordt dit toch niet door de wet van Mozes uitdrukkelijk geopenbaard, omdat zoveel van die wet zeer bijzonder dat volk betrof, en dus, gelijk dit met gemeentelijke wetten meestal placht te wezen, als het ware gewapend was met bedreigingen en beloften, terwijl de meer uitdrukkelijke openbaring van een toekomenden staat voor latere dagen bewaard bleef. Toch vindt onze Heiland zelfs in de Schriften van Mozes een zeer degelijk bewijs voor de opstanding. Vele schatten der Schrift liggen onder de oppervlakte, zodat men er naar graven moet.
2. Wat Zijn argument was, vers 32, Ik ben de God van Abraham. Dit was geen bewijs in zo vele woorden, en toch was het in werkelijkheid een afdoend bewijs. Gevolgtrekkingen uit de Schrift, zo zij met juistheid worden gemaakt, moeten als de Schrift zelf aangenomen worden, want zij werd geschreven voor hen, die met rede begaafd zijn. Nu is de strekking van het argument om te bewijzen:
a. Dat er een toekomende staat is, een leven na dit leven, waarin de rechtvaardigen waarlijk en voortdurend gelukkig zullen zijn. Dit wordt bewezen uit hetgeen God gezegd heeft: Ik ben de God van Abraham. Want dat God iemands Gods is, veronderstelt zeer buitengewone voorrechten en gelukzaligheid. Tenzij wij volkomen weten wat God is, kunnen wij den rijkdom niet vatten van dat woord: Ik zal u een God zijn, dat is: een weldoener gelijk Ik ben. De God Israël's is Israël's God, 1 Kronieken 17:24, een geestelijke weldoener, want Hij is de Vader der geesten, en Hij zegent met geestelijke zegeningen. Het is een algenoegzame weldoener te zijn, een God, die genoegzaam is, een volkomen goed, en een eeuwige weldoener, want zelf is Hij een eeuwige God, en voor hen, die in verbond met Hem zijn, zal Hij een eeuwige God wezen. Dit grote woord heeft God dikwijls tot Abraham, Izaak en Jakob gesproken, en het was bedoeld als ene beloning voor hun bijzonder geloof en gehoorzaamheid in hun verlaten van hun vaderland toen God hen riep. De Joden hadden diepen eerbied voor deze drie aartsvaders, en de belofte, die God hun gegeven had, hebben zij zo ver mogelijk uitgestrekt. Het is blijkbaar, dat deze Godvruchtige mannen in dit leven geen zo buitengewoon geluk deelachtig zijn geweest, dat men dit als de vervulling zou kunnen beschouwen van zo groot een woord als dit is. In het Land der Belofte zijn zij vreemdelingen geweest, zwervende, lijdende van hongersnood. Geen voetbreed gronds was hun eigendom, behalve ene grafstede, hetgeen hun een wenk was om uit te zien naar iets na dit leven. In tegenwoordige genietingen stonden zij ver achter bij hun naburen, die vreemdelingen waren voor dit verbond. Wat was er in deze wereld, dat hen en de erfgenamen van hun geloof onderscheidde van anderen, en dat in de minste of geringste verhouding stond tot de waardigheid en de onderscheiding van dat verbond? Indien er voor deze grote en goede mannen geen geluk ware weggelegd na den dood, dan zou het treurige woord van Jakob, toen hij oud was geworden: Weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, Genesis 47:9, een voortdurend verwijt zijn geweest aan de wijsheid, goedheid en trouw van dien God, die zich zo dikwijls de God van Jakob heeft genoemd. Daarom moet er gewis een toekomende staat zijn, waarin, gelijk God eeuwig leeft om eeuwiglijk te belonen, Abraham, Izaak en Jakob eeuwig zullen leven om eeuwiglijk beloond te worden. Het woord van den apostel, Hebreeën 11:16, als hij, na gesproken te hebben van het geloof en de gehoorzaamheid der aartsvaders in het land hunner vreemdelingschappen, er bij voegt: Daarom schaamt zich God niet, om hun God genoemd te worden, want Hij had hun ene stad bereid, een hemelse stad, geeft te kennen, dat, indien Hij niet zo goed voor hen voorzien had in de andere wereld, -in aanmerking genomen hoe het hun in deze wereld vergaan is, Hij zich geschaamd zou hebben hun God genoemd te worden. Maar nu schaamt Hij zich dit niet, aangezien Hij datgene voor hen gedaan heeft, dat er in de volle betekenis en in de ruimste mate aan beantwoordt.
b. Dat de ziel onsterfelijk is, en het lichaam weer zal opstaan en met de ziel verenigd zal worden. Is het vorige punt bewezen, dan zal deze stelling er uit voortvloeien, maar zij wordt ook bewezen door den tijd, toen God dit gesproken heeft. Het was tot Mozes aan het braambos, toen Abraham, Izaak en Jakob reeds lang dood en begraven waren, en toch zegt God niet Ik was, of Ik ben geweest, maar Ik ben de God van Abraham. God nu is niet een God der doden maar der levenden. Hij is een levende God, en deelt levenwekkende invloeden mede aan hen, voor wie Hij een God is. Indien, toen Abraham was gestorven, er nu ook een einde was geweest met Abraham, dan zou er ook een einde geweest zijn aan Gods betrekking tot hem als zijn God, maar op het tijdstip, toen God met Mozes sprak, was Hij de God van Abraham, bijgevolg moet Abraham toen geleefd hebben, hetgeen een bewijs is van de onsterflijkheid der ziel in een staat van gelukzaligheid, en dit leidt wederom tot de gevolgtrekking van de opstanding des lichaams, want er is in de menselijke ziel zulk ene neiging tot het lichaam, dat een finale en eeuwige scheiding van ziel en lichaam onbestaanbaar zou zijn met de gelukzaligheid van hen, die God tot hun God hebben. Het denkbeeld der Sadduceeën was, dat de verbinding van ziel en lichaam zo innig is, dat, wanneer het lichaam sterft, ook de ziel sterft. Naar diezelfde onderstelling nu moet, indien de ziel leeft-en zeer zeker leeft zij! -ook het lichaam op den een of anderen tijd met haar leven. En behalve dat: de Heere is voor het lichaam, daar het een onmisbaar bestanddeel is van den mens, er is een verbond met het stof, waaraan gedacht zal worden, want anders zou de mens niet gelukkig zijn. De last, dien de stervende aartsvaders gaven betreffende hun lichaam, hun gebeente, en dat wel in het geloof, was een blijk van hun verwachting der opstanding van het lichaam. Maar die leerstelling werd bewaard voor een vollediger openbaring na de opstanding van Christus, die de eersteling is geworden dergenen, die ontslapen zijn. Eindelijk: Wij hebben hier het gevolg of de uitkomst van dezen redetwist. De Sadduceeën waren tot zwijgen gebracht, vers 34, en dus te schande gemaakt. Zij dachten door hun spitsvondigheid Christus te schande te kunnen maken, terwijl zij slechts zich zelven schande bereidden. Maar de scharen werden verslagen over Zijne leer, vers 33.
1. Omdat zij nieuw voor hen was. Zie in wat treurigen toestand de Schriftverklaring onder hen gekomen was, daar het volk verbaasd was, als over een wonder, nu zij hoorden hoe de fundamentele belofte toegepast werd op deze grote waarheid. Zij moeten wel zeer onbekwame en onwetende schriftgeleerden gehad hebben, want anders zou dit geen nieuws voor hen zijn geweest. 2. Omdat er iets zeer goeds en groots in was. Soms blinkt de waarheid des te helderder, en wordt zij des te meer bewonderd, naarmate zij meer tegengestaan wordt. Hierbij valt nog op te merken, dat vele tegensprekers tot zwijgen worden gebracht, en vele hoorders verslagen of verbaasd zijn, zonder tot zaligmakende bekering te komen. Maar zelfs in het zwijgen en de verbazing van ongeheiligde zielen verheerlijkt God Zijne wet en Zijn Evangelie, en maakt Hij beiden heerlijk.