Exodus 25:23-30
Hier wordt:
1. Bevolen, dat een tafel gemaakt zal worden van hout met goud overtrokken, welke tafel staan moest, niet in het "heilige der heiligen", (daar was niets anders dan de ark met haar toebehoren) maar in het buitenste deel van de tabernakel, het "heilige" genaamd, Hebreeën 9:2, vers 23 en verv. Daar moeten ook de gewone dingen zijn van een buffet, borden, schalen en lepels, enz, en die alle moesten van goud zijn, vers 29.
2. Deze tafel moest altijd gedekt wezen en voorzien van "toonbrood", vers 30, of "brood van het aangezicht", twaalf broden, een voor elke stam, gelegd in twee rijen, zes op een rij, zie de betreffende wet in Leviticus 24:5 en verv. Omdat de tabernakel Gods huis was, waarin, naar het Hem behaagde te zeggen, Hij onder hen zou wonen, wilde Hij tonen dat Hij een goede tafel hield. Het was normaal, dat in het koninklijk paleis een koninklijke tafel zou zijn. Volgens sommigen moesten de twaalf broden de twaalf stammen vertegenwoordigen, aan God voorgesteld als Zijn volk, en de tarwe Zijn dorsvloer, zoals zij genoemd worden, Jesaja 21:10. Zoals de ark Gods tegenwoordigheid betekende onder hen, zo betekenden de twaalf broden hun voorgesteld zijn aan God.
Dit brood was bestemd:
Om een dankbare erkenning te zijn van Gods goedheid ten opzichte van hen door hun hun dagelijks brood te geven, manna in de woestijn, waar Hij een tafel voor hen had toebereid, en in Kanaän het koren van het land. Hiermede erkenden zij hun afhankelijkheid van Gods voorzienigheid, niet alleen voor het koren op het veld, waarvoor zij dank brachten in de offerande van de schoof van de eerstelingen, maar ook voor het brood in hun huizen, daar, als zij het in huis gebracht hadden, God er niet in geblazen heeft, Haggai 1:9. Christus heeft ons geleerd elke dag te bidden voor het brood van de dag.
Een teken te zijn van hun gemeenschap met God, daar dit brood op Gods tafel van hetzelfde koren bereid was als het brood op hun eigen tafel, hebben God en Israël, als het ware, tezamen gegeten, als een onderpand van vriendschap en gemeenschapsoefening, Hij hield avondmaal met hen, en zij met Hem. Om een type te wezen van de geestelijke voorzienigheid, welke gemaakt is in de kerk door het Evangelie van Christus voor allen, die voor God tot priesters zijn gemaakt. In het huis van onze Vader is overvloed van brood, een brood voor iedere stam. Allen, die in Gods huis wonen zullen verzadigd worden met de vettigheid van Zijn huis, Psalm 36:9. Goddelijke vertroostingen zijn voor heilige zielen een aanhoudende feestmaaltijd, in weerwil van hen, voor wie de "tafel des HEEREN" en haar spijze (omdat het eenvoudig brood is) verachtelijk zijn Maleachi 1:12. Christus heeft een tafel in zijn Koninkrijk, waaraan al Zijn heiligen voor altijd met Hem zullen eten en drinken, Lukas 22:30.
Het volgende, dat voor het bouwen en in orde brengen van Gods paleis bevolen was, was het vervaardigen van een kostbare, fraaie kandelaar, geheel van goud, niet hol maar massief. De bijzondere aanwijzingen, die er hier voor worden gegeven, tonen:
1. Dat hij erg prachtig was, een mooi sieraad voor de plaats. Er waren zes takken aan, die allen van de voornaamste schacht uitgingen, en niet alleen hun schaaltjes hadden (om de olie en de aangestoken pit te bevatten) en aldus noodzakelijk waren, maar ook knopen en bloemen tot versiering.
2. Dat hij erg gerieflijk was, en op uitnemende wijze beraamd, zowel om licht te verspreiden, als om de tabernakel zuiver te houden van rook en walm.
3. Dat hij van grote betekenis was. De tabernakel had geen vensters om het daglicht binnen te laten, al zijn licht was het licht van de kandelaar of luchter, waardoor de betrekkelijke duisternis van deze bedeling wordt aangeduid. Terwijl de Zon van de gerechtigheid nog niet was opgegaan, en de morgenster uit de hoogte Zijn kerk nog niet bezocht heeft, heeft God zich toch niet zonder getuigen gelaten, en hen niet zonder onderricht. Het gebod was een lamp, en de wet een licht, en de profeten waren de takken van die lamp, welke in de verschillende eeuwen aan de Oud Testamentische kerk licht hebben gegeven. In vergelijking met wat zij in de hemel zijn zal, is de kerk nog duister zoals de tabernakel geweest is, maar het woord Gods is de kandelaar, een licht, schijnende in een duistere plaats, 2 Petrus 1:19, en wel zou de wereld zonder dat licht een erg duistere plaats zijn. De Geest Gods wordt in Zijn verschillende gaven en genadebedelingen vergeleken bij de zeven lampen, welke brandende zijn voor de troon, Openbaring 4:5. De kerken zijn gouden kandelaars, de lichten van de wereld, voorhoudende het "woord des levens", zoals de kandelaar het licht, Filippenzen 2:15, 16. De leraren moeten de lampen aansteken en zorgen dat zij helder branden, vers 37, door de Schriften te openen. De schat van het licht is nu in aarden vaten gelegd, 2 Corinthiërs 4:6, 7. De rieten of takken, van de kandelaar spreidden zich uit naar elke kant, om de verspreiding aan te duiden van het licht van het evangelie naar alle zijden door de Evangeliebediening, Mattheus 5:14, 15. Er is verscheidenheid van gaven, maar dezelfde Geest geeft ze aan een ieder tot wat van nut is.
Eindelijk. Temidden van deze instructies wordt aan Mozes een uitdrukkelijke waarschuwing gegeven om er zich voor te wachten van zijn voorbeeld af te wijken, vers 40.
Zie dan toe, dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is.
Niets werd aan zijn eigen vinding of verbeelding overgelaten, noch aan de vinding of verbeelding van de werklieden, noch aan de zin of de mening van het volk, de wil van God moet tot in de kleinste bijzonderheden nauwkeurig worden waargenomen. Aldus zijn:
a. alle leidingen van Gods voorzienigheid in nauwkeurige overeenstemming met Zijn raadsbesluiten, en nooit verschilt de kopie van het origineel. De oneindige Wijsheid brengt nooit verandering in haar maatregelen, wat voorgenomen werd, zal voorzeker volvoerd worden.
b. Moeten al Zijn inzettingen waargenomen worden naar Zijn voorschriften. Christus' instructie aan Zijn discipelen is hieraan gelijk, Mattheus 28:19, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.