Exodus 21:12-21
Hier is:
1. Een wet betreffende moord. God had onlangs gezegd: Gij zult niet doodslaan, en hier bepaalt Hij:
a. De straf voor moedwillige doodslag, vers 12. Als het gebeurt dat een mens iemand slaat, hetzij in plotseling opkomende drift, of met voorbedachten rade, dat hij sterft, dan moet in zo'n geval de overheid er voor zorgen, dat de moordenaar ter dood gebracht zal worden, overeenkomstig de aloude wet, Genesis 9:6. Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden. God, die door Zijn voorzienigheid het leven geeft en onderhoudt, beschermt het door Zijn wet, zodat barmhartigheid, betoond aan een moedwillige moordenaar, wezenlijk wreedheid is jegens geheel de overige mensheid. God zegt hier dat een zodanige zelfs van voor Zijn altaar weggenomen moet worden, vers 14, waarheen hij gevlucht is om er bescherming te vinden, en, zo God hem niet wil beschermen, zo laat hem naar de kuil toevlieden, men ondersteune hem niet.
b. Tot hulp en verlichting van hen, die iemand bij ongeluk gedood hebben, "per infortunium- "zoals onze landswet het uitdrukt, als men bij het verrichten van een geoorloofde, wettige daad, zonder iemands leed te willen of te wensen, een ander doodt, of, gelijk het hier omschreven wordt, als God hem zijn hand heeft doen ontmoeten, want er geschiedt niets bij geval, wat ons toevallig schijnt, is verordineerd door Gods voorzienigheid, voor wijze en heilige doeleinden, die voor ons verborgen zijn. Voor zo'n geval heeft God vrijsteden verordineerd ter bescherming van hen, wier ongeluk het was, en niet hun schuld, de dood van een ander veroorzaakt te hebben, vers 13. Voor ons, die geen andere bloedwrekers kennen dan de magistraten, is de wet zelf een voldoende vrijplaats voor hen, wier hart onschuldig is al zijn hun handen ook schuldig, en dus hebben wij geen andere vrijplaatsen nodig.
2. Betreffende weerspannige kinderen: het wordt hier tot een halsmisdaad gesteld, die dus met de dood gestraft moet worden, dat kinderen:
a. Hun ouders slaan, vers 15 hetzij met bloedstorting of met kneuzing. Of
b. hun ouders vloeken, vers 17, als zij daarbij zoals de rabbijnen zeggen, de naam van God ontheiligd hebben. Het ongehoorzame gedrag van kinderen tegenover hun ouders is een zware terging van God, ons aller Vader, en als de mensen het niet straffen, dan zal Hij het. Diegenen hebben wel alle deugd afgelegd en zich aan alle slechtheid overgegeven, die zozeer door de banden van kinderlijke eerbied en gehoorzaamheid heengebroken zijn, dat zij in woord of daad hun eigen ouders mishandelen. Welk juk zullen zij dragen, die dit juk hebben afgeschud? Laat de kinderen er zich voor wachten om in hun hart gedachten te koesteren, die naar ongehoorzaamheid en minachting leiden, want de rechtvaardige God doorgrondt het hart.
3. Hier is een wet tegen mensenroof, vers 16, zo wie een mens, man, vrouw of kind, steelt, met de bedoeling hem aan de heidenen te verkopen, (want geen Israëliet zou hem kopen) werd door deze wet ter dood veroordeeld, hetgeen bekrachtigd wordt door de apostel, 1 Timotheus 1:10 waar mensendieven gerekend worden onder die boosdoeners, tegen wie door Christelijke vorsten wetten gemaakt moeten worden. 4. Er wordt hier zorg gedragen, dat voor lichamelijke schade, die iemand wordt toegebracht, al heeft zij ook niet de dood ten gevolge, vergoeding gegeven wordt, vers 18, 19. Hij, die de schade veroorzaakte, moet verantwoordelijk worden gehouden, en betalen, niet alleen voor de geneeskundige behandeling, maar ook voor het verlies van tijd, waaraan de Joden toevoegen, dat hij ook een beloning of vergoeding moet geven voor de geleden pijn, en voor het gebrek, zo dit ontstaan mocht wezen.
5. Er worden voorschriften gegeven hoe te handelen indien een dienstknecht of een dienstmaagd sterft door de tuchtiging van zijn of haar meester. Die dienstknecht moet geen Israëliet zijn, maar een heidense slaaf, zoals de negers van onze planters, en er wordt verondersteld, dat hij hem slaat met een stok, en niet met iets, dat naar alle waarschijnlijkheid een dodelijke wonde zal veroorzaken. Indien de knecht echter sterft onder zijn hand, moet hij om zijn wreedheid worden gestraft naar het goedvinden van de rechters na overweging van de omstandigheden, vers 20. Maar zo hij na de tuchtiging nog een of twee dagen blijft leven, dan wordt verondersteld, dat de meester genoeg gestraft is door het verlies van zijn dienstknecht, vers 21. Onze wet verklaart de dood van een dienstknecht door zijns meesters redelijke tuchtiging, slechts toevallige manslag. Laat alle meesters er zich wèl voor wachten om hun dienstboden te tiranniseren, het Evangelie leert hun zelfs dreiging na te laten, Efeziers 6:9, met de Godvruchtige Job bedenkende, "Wat zou ik doen, als God opstond?" Job 31:13-15