Leviticus 11:43-47
1. Hier is de verklaring van deze wet, of een sleutel om ons de betekenis er van te ontsluiten. Zij was niet slechts bedoeld als spijslijst, of als het voorschrift van een geneesheer voor het te houden dieet, maar God wilde er hen door leren zich te heiligen en heilig te zijn, vers 44. Dat is:
a. Zij moeten hierdoor leren verschil te maken tussen goed en kwaad, en te achten dat alles wat zij deden niet gelijk kon zijn, zoals het toch volstrekt niet alles gelijk was wat zij aten.
b. Om gestadig de Goddelijke wet te onderhouden, en er zich in al hun daden en handelingen door te laten besturen. Zelfs in die handelingen, die heel gewoon zijn, en verricht moeten worden zoals het voor God waardig is, 3 Johannes : 6. Zelfs eten en drinken moet naar regel geschieden en "ter ere Gods," 1 Corinthiërs 10:31.
c. Zich te onderscheiden van hun naburen, als een volk, dat voor God afgezonderd is, en verplicht is niet als andere volken te wandelen, en dit alles in heiligheid. Zo waren dan deze eerste beginselen van de wereld hun voogden en verzorgers, Galaten 4:2, 3, om hen tot datgene te brengen, dat de herleving is van onze eerste staat in Adam en het onderpand van onze beste staat met Christus, dat is tot heiligheid, zonder welke niemand de Heere zien zal. Het is ook inderdaad het grote doel van al de inzettingen, dat wij er door geheiligd worden en leren zullen heilig te zijn. Zelfs die wet aangaande hun spijs, die hun zo laag scheen neer te buigen strekte zich toch naar zo grote hoogte, want het was de landswet onder het Oude Testament zowel als onder het Nieuwe Testament dat zonder heiligheid niemand de Heere zal zien. Daarom luidt de vermaning en waarschuwing in vers 43 :Maakt uw zielen niet verfoeilijk. Door gemeenschap te hebben met de zonde die verfoeilijk is, maken wij onszelf verfoeilijk. Die mens is voorwaar ongelukkig, die in Gods oog verfoeilijk is, en niemand is dit dan zij, die zichzelf aldus verfoeilijk maken. De Joodse schrijvers zelf opperen de mening, dat de bedoeling van de wet was hun alle gemeenschap te verbieden met heidenen, door huwelijk, of anderszins, Deuteronomium 7:2, 3, en zo is de zedelijke strekking er van ook verplichtend voor ons, ons verbiedende gemeenschap te hebben met de onvruchtbare werken van de duisternis, en zonder die wezenlijke heiligheid van hart en leven is hij, "die spijsoffer offert, als die zwijnenbloed offert," Jesaja 66:3. En indien het zo'n terging van de Heere was, als een mens zelf zwijnenvlees at, hoeveel te meer dan niet om zwijnenbloed te offeren op Gods altaar, zie Spreuken 15:8.
2. De redenen voor deze wet, en die zijn alle ontleend aan de wetgever zelf, die wij in al onze daden van gehoorzaamheid op het oog moeten hebben.
a. "Ik ben de Heere uw God," vers 44. "Daarom zijt gij in zuivere gehoorzaamheid verplicht aldus te handelen." Gods souverein gezag over ons, en eigendomsrecht op ons, verplichten ons te doen al wat Hij ons gebiedt, al druist dit nog zozeer in tegen onze neigingen.
b. Ik ben heilig vers 44, en wederom vers 45. Indien God heilig is dan moeten wij het ook zijn, anders kunnen wij niet verwachten Hem welbehaaglijk te wezen, Zijn heiligheid is Zijn heerlijkheid, Exodus 15:11, en daarom is zij "voor Zijn huis sierlijk tot lange dagen," Psalm 93:5. Dit grote gebod, aldus versterkt, wordt, hoewel het hier voorkomt temidden van afgeschafte wetten, aangehaald en tot Evangeliegebod bestempeld in 1 Petrus 1:16, waar te kennen wordt gegeven dat al deze beperkingen, opgelegd door de ceremoniële wet, bestemd waren ons te leren dat wij niet gelijkvormig moeten zijn aan de begeerlijkheden, waarvan wij tevoren niet wisten, vers 14.
c. Ik ben de Heere, die u uit Egypteland doe optrekken, vers 45. Dit was een reden, waarom zij zich blijmoedig aan deze verschillende wetten moesten onderwerpen, die kort tevoren zozeer verwaardigd waren met verschillende gunsten. Hij, die voor hen meer gedaan had dan voor alle andere volken, kon met recht nu ook van hen meer verwachten.
3. Het slot van deze wet, vers 46, 47. Dit is de wet van de beesten en van het gevogelte, enz. Deze wet was voor hen een eeuwige inzetting, dat is: zolang als die bedeling duurde, maar onder het Evangelie vinden wij haar uitdrukkelijk herroepen door een stem van de hemel, die tot Petrus kwam, Handelingen 10:15, zoals zij tevoren reeds op krachtige wijze met de andere inzettingen "dingen, welke alle verderven door het gebruik, raak niet, en smaak niet, en roer niet aan," Colossenzen 2:21, 22, ter zijde was gezet door de dood van Christus. En nu zijn wij er zeker van, dat "de spijze ons Gode niet aangenaam maakt," 1 Corinthiërs 8:8. en dat "geen ding onrein is in zichzelf," Romeinen 14:14, en dat "hetgeen de mond ingaat de mens niet verontreinigt," Mattheus 15:11, "maar hetgeen de mond uitgaat, hetgeen uit zijn hart voortkomt."
Laat ons daarom:
a. God danken dat wij niet onder dit juk zijn, maar dat ons alle schepsel Gods als goed is veroorloofd, en dat niets geweigerd moet worden.
b. Staan in de vrijheid, waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt, en ons wachten voor de leringen, die ons gebieden ons van spijzen te onthouden, en aldus Mozes zouden willen doen herleven, 1 Timotheus 4:3, 4.
c. Streng en nauwgezet matig zijn in het gebruik van de goede schepselen, die God ons toegestaan heeft. Heeft Gods wet ons vrijheid gegeven, laten wij dan ons zelf in toom houden, en nooit spijs gebruiken zonder vrees, opdat onze tafel ons niet tot een valstrik wordt. "Zet u het mes op de keel, als gij een gulzig mens zijt," en "begeer zijn lekkernijen niet want het is bedrieglijke spijs," Spreuken 23:2, 3. De natuur is met weinig tevreden, de genade met nog minder, maar de begeerlijkheid met niets.