Exodus 18:1-6
Wij kunnen wel aannemen dat dit voorval plaats heeft gehad, zoals het hier verhaald is vóór de wetgeving, en niet, zoals sommigen denken, in verband met hetgeen verhaald is in Numeri 10:11, 29 enz. Tevoren zijn reeds offeranden geofferd, bij die, welke hier vermeld worden, is het opmerkelijk, dat Jethro gezegd wordt ze te hebben genomen, en niet Aäron. En wat betreft Jethro's raad aan Mozes, om richters onder hem aan te stellen er wordt wel te kennen gegeven dat de aanleiding om hem die raad te geven des anderen daags was maar hieruit volgt toch niet, dat Mozes die zaak niet later, na de wetgeving, geregeld heeft zoals het in Deuteronomium 1:9 is meegedeeld. Het is duidelijk dat Jethro zelf niet wilde, dat hij deze verandering in het bestuur zou brengen, voordat hij er instructies van God voor had ontvangen vers 23, en die heeft hij niet dan enige tijd later ontvangen. Jethro komt:
I. Om Israël geluk te wensen met zijn bevrijding, en in het bijzonder om zijn schoonzoon Mozes zijn blijdschap te kennen te geven wegens de eer, die God hem heeft aangedaan, en nu acht Jethro zich wel beloond voor de vriendelijkheid, die hij aan Mozes had bewezen en dat zijn dochter beter gehuwd was dan hij had kunnen verwachten. Jethro heeft wel moeten vernemen, hetgeen waarvan het gehele land weerklonk, namelijk het heerlijk verschijnen van God voor Israël, vers 1, en hij komt om er naar te vragen ten einde er vollediger over ingelicht te worden, zie Psalm 111:2, en zich met hen te verblijden, als iemand, die oprechte hoogachting had voor hen en eerbied voor hun God. Hoewel hij, als Midianiet, niet met hen moest delen in het beloofde land, deelde hij toch in hun blijdschap over hun verlossing. Aldus kunnen wij andere vertroostingen en zegeningen tot de onze maken, door evenals God, lust te hebben in de vrede van Zijn knechten.
II. Om aan Mozes zijn vrouw en kinderen te brengen. Hij schijnt hen teruggezonden te hebben, waarschijnlijk wel van de herberg waar de afkeer van zijn vrouw van de besnijdenis, hem bijna het leven heeft gekost, Hoofdstuk 4:25. Hij zond hen naar huis bij zijn schoonvader, vrezende dat zij hem nog verder een belemmering zouden zijn, hij voorzag de ontmoedigingen, die hij aan het hof van Farao zou ondervinden, en daarom wilde hij niemand van zijn eigen gezin bij zich hebben. Hij behoorde tot de stam, die tot zijn vader zei: ik zie hem niet, als er werk voor God gedaan moest worden, Deuteronomium 33:9. Zo moesten ook Christus' discipelen, als zij moesten uitgaan op een onderneming, niet zeer ongelijk aan die van Mozes, vrouw en kinderen verlaten, Mattheus 19:29. Maar hoewel er een reden kon zijn voor een tijdelijke scheiding tussen Mozes en zijn vrouw, moeten zij toch, zodra het kon, weer bij elkaar komen. Het is de wet voor die betrekking: "Gij mannen, woont bij uw vrouwen," 1 Petrus 3:7.
Wij kunnen veronderstellen dat Jethro zijn dochter gaarne bij zich had en haar kinderen beminde, toch wil hij haar niet terughouden van haar man, noch de kinderen van hun vader, vers 5, 6. Mozes moest zijn gezin bij zich hebben, ten einde, als hij de kerk Gods regeerde, een goed voorbeeld te geven van een goed en verstandig regeren van zijn eigen huis, 1 Timotheus 3:5. Aan Mozes was nu veel eer en veel zorg opgelegd, en het was passend dat zijn vrouw bij hem zou zijn, om in beide met hem te delen.
Er wordt hier nota genomen van de betekenisvolle namen van zijn twee zonen.
1. De naam van de oudste was Gersom vers 3 een vreemdeling. Mozes bedoelde hier niet alleen een herinnering aan zijn eigen toestand, maar ook een memorandum aan zijn zoon van zijn toestand, want wij zijn allen vreemdelingen op aarde, gelijk onze vaders het waren. Mozes had een oudoom, die bijna dezelfde naam droeg, "Gerson, een vreemdeling," want deze was wel in Kanaän geboren, Genesis 46:11, maar zelfs daar hebben de patriarchen beleden vreemdelingen te zijn.
2. De anderen noemde hij Eliëzer, vers. 4. Mijn God is een hulp, zoals wij het vertalen. Dit ziet terug op zijn redding van Farao, toen hij vluchtte na de Egyptenaar verslagen te hebben. Maar indien dit de zoon was, (zoals sommigen denken) die in de herberg besneden werd, dan zou ik het veeleer vertalen in de zin van voorwaarts te zien, daar het oorspronkelijke die vertaling toelaat: De Heer is mijn hulp, en zal mij redden van het zwaard van Farao, want hij had reden om te vrezen dat dit tegen hem getrokken zou worden, toen hij Israël uit zijn dienstbaarheid ging verlossen. Als wij een moeilijke arbeid voor God op ons nemen dan is het goed om ons te bemoedigen in God als onze hulp, Hij, die verlost heeft, zal nog verder verlossen.