Deuteronomium 1:9-18
Mozes herinnert hen hier aan de gelukkige inrichting van hun regering, waaronder zij allen veilig en gerust konden wezen, indien zij dit niet zelf verhinderden door hun zonde. Toen hun goede wetten gegeven waren, werd de uitvoering er van opgedragen aan goede, en wijze mannen. Dit getuigde van Gods goedheid over hen, en van Mozes' zorg voor hen, en hij schijnt hier melding van te maken ten einde zich bij hen aan te bevelen als een man die in oprechtheid hun welzijn heeft zoeken te bevorderen, en zich alzo de weg te bereiden voor hetgeen hij hun nog verder wilde zeggen, en waarmee hij ook niets anders dan hun welzijn beoogde.
In dit deel van zijn verhaal geeft hij hun te kennen:
1. Dat hij zich grotelijks verblijdt in de toeneming van hun aantal. Hij erkent de vervulling van Gods beloften aan Abraham, vers 10. Gij zijt heden als de sterren des hemels in menigte, en hij bidt om de nog verdere vervulling er van, vers 11. De Heere, de Godvan uw vaderen, doe tot u, zoals gij nu zijt, duizend maal meer. Dit gebed is als tussenzin ingelast, en een goed gebed, dat met wijsheid ingevoegd wordt, kan niet ongepast zijn in een rede over Goddelijke dingen, ook zal zo'n vrome uitroep er de samenhang niet van verbreken, maar veeleer versterken en versieren. Maar hoe verruimd en uitgebreid zijn zijn begeerten als hij bidt, dat zij tot nog duizendmaal meer zullen worden dan zij reeds zijn! Wij zijn niet eng of nauw gemaakt ten opzichte van de macht en de goedheid van God, waarom zouden wij dan eng zijn in ons geloof en onze hoop, die zo ruim behoren te zijn als de belofte? Ruimer behoeven zij niet te wezen. Het is naar de belofte, dat Mozes hier zijn gebed afmeet. De Heere zegene u gelijk als Hij tot u gesproken heeft. En waarom zou hij niet mogen hopen, dat zij duizendmaal meer zullen worden dan zij nu zijn, als zij toch nu tienduizend maal meer zijn dan zij waren, toen zij vóór twee honderd vijftig jaren afgingen naar Egypte? Toen zij onder de regering van Farao waren, werd de toeneming van hun aantal benijd, en werd er over geklaagd als over een grief, Exodus 1:9, maar nu, onder de regering van Mozes was het een reden van blijdschap, en werd er om gebeden als een zegen. Dit met elkaar vergelijkende, konden zij er aanleiding in vinden om met schaamte en berouw te denken aan hun dwaasheid toen zij er van spraken zich een hoofd te stellen en naar Egypte terug te keren.
2. Dat hij de eer van de regering niet voor zich wenste te monopoliseren, niet begeerde om alleen, als absoluut monarch, over hen te heersen, vers 9. Hoewel hij een man was, die eer even waardig, en even bekwaam en bevoegd er toe als ooit enig man geweest is, wenste hij toch dat anderen hem behulpzaam zullen zijn in het werk, en bijgevolg ook met hem zullen delen in de eer. Ik alleen kan de last niet dragen, vers 12. Het overheidsambt is een last. Mozes zelf, hoewel uitnemend begaafd, vond dat die last hem te zwaar op de schouders lag, ja het zijn de beste magistraatspersonen, die het meest klagen over de last en het meest begerig zijn om hulp te hebben, en het meest bevreesd om meer op zich te nemen dan zij kunnen volbrengen.
3. Dat hij niet wenste zijn eigen aanhangers, of personen die onder de hand van hem afhankelijk waren, tot die waardigheid te bevorderen, want hij laat het aan het volk over om zelf hun rechters te kiezen, aan wie hij een aanstelling zou geven, niet durante bene placito om weer, als het hem behaagde ontslagen te worden, maar quam diu se bene gesserint zolang zij zich getrouw betonen vers 13. Neemt u wijze en verstandige en ervaren mannen van uw stammen, dat ik hen tot uw hoofden stelle. Zo hebben de apostelen de menigte van de discipelen er toe geleid om opzieners te kiezen over de armen, waarna zij deze toen de handen opgelegd hebben, Handelingen 6:3, 6. Hij zegt hun wijze en verstandige mannen te nemen, wier persoonlijke verdienste hen daartoe aanbeval. De oorsprongen opkomst van dit volk waren nog zo nieuw, dat niemand van hun op oudheid van geslacht of adeldom van geboorte kon bogen boven hun broederen, en daar zij allen kort tevoren uit de slavernij van Egypte waren bevrijd, zal de ene familie waarschijnlijk niet veel rijker zijn geweest dan de andere, zodat hun keus zuiver en alleen bepaald moest worden door de hoedanigheden van wijsheid, ervaring en rechtschapenheid. "Kiest hen", zegt Mozes, "die in uw stammen geroemd worden, en ik zal hen van ganser harte tot uw hoofden stellen." Het moet ons niet verdrieten, dat Gods werk door andere handen dan de onze gedaan wordt, mits het door goede handen gedaan wordt.
4. Dat hij in deze zaak zeer gaarne het volk wilde believen, en hoewel het hem nooit om hun lof of toejuiching te doen was, wilde hij toch in een zaak van die aard niet handelen zonder hun goedkeuring. En zij hebben ingestemd met zijn voorstel, vers 14. Dit woord, dat gij gesproken hebt, is goed om te doen. Hij maakt hier melding van als verzwaring van de zonde van hun muiterij en ontevredenheid daarna, daar de regering, waarover zij ontevreden waren, er één was, die zij zelf gewild hadden. Mozes zou hun tevredenheid hebben gegeven, indien zij tevreden hadden willen zijn.
5. Dat hij bedoelde hen te stichten, zowel als hun voldoening te geven.
A. Hij stelde mannen aan van een goed karakter, vers 15, wijze en ervaren mannen, mannen die getrouw zullen zijn aan hun opdracht en aan de belangen van het publiek.
B. Hij geeft hun een goede opdracht, vers 16, 17,. Zij, die tot eer bevorderd worden, moeten weten dat hun arbeid is opgedragen, en dat zij er rekenschap van zullen hebben te geven.
a. Hij beveelt hun naarstig en geduldig te zijn: hoort de verschillen. Hoort beide zijden, hoort ze ten volle, hoort ze met zorg en nauwkeurigheid, want de natuur heeft ons voorzien van twee oren, en hij, die antwoord geeft eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande. De tong van de geleerden heeft het oor nodig van hem die leert.
b. Rechtvaardigen onpartijdig te zijn, richt rechtvaardig. Er moet recht gesproken worden naar de omstandigheden van de zaak, zonder dat daarbij de hoedanigheid van de partijen in aanmerking komt. Aan de inboorlingen moet niet toegestaan worden de vreemdelingen te verdrukken, evenmin als aan de vreemdelingen om de inboorlingen te beledigen of te schaden. Aan de groten moet niet toegelaten worden de kleinen te verdrukken, evenmin als aan de kleinen om de groten te beroven of te honen. In het gericht moet het aangezicht niet gekend worden, onomgekocht, onbevooroordeeld, naar. billijkheid en rechtvaardigheid moet recht gesproken worden.
c. Vastberaden en kloekmoedig te zijn, "gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht. Laat u door geen vrees of ontzag bewegen om een kwade zaak te doen, hetzij door het geschreeuw van de menigte, of door de dreigementen van hen die macht hebben". En hij gaf hun een goede reden om aan dit bevel kracht bij te zetten: want het gericht is Godes. Gij zijt Gods plaatsbekleders, gij handelt voor Hem, en daarom moet gij handelen zoals Hij handelt, gij zijt Zijn vertegenwoordigers, maar als gij onrechtvaardig oordeelt, dan stelt gij Hem verkeerd voor. Van Hem is het gericht, en daarom zal Hij u beschermen als gij recht doet, maar u gewis ter verantwoording roepen als gij onrecht doet". Eindelijk. Hij vergunde hun alle moeilijke zaken tot hem te brengen, en hij zal altijd bereid wezen te horen en te oordelen, en beide rechters en volk gerust te doen zijn. Zalig zijt gij, o Israël, in zo'n vorst als Mozes geweest is.