Exodus 2:16-22
Mozes krijgt hier een vestiging in Midian, zoals zijn vader Jakob er een in Syrië had gekregen, Genesis 29:2 en verv. En beide voorbeelden behoren ons aan te moedigen om op Gods voorzienigheid te vertrouwen en haar leiding te volgen. Gebeurtenissen, die van weinig belang en zuiver toevallig schijnen zullen later blijken door Gods wijsheid beraamd te zijn tot heilrijke doeleinden en van grote gevolgen voor Zijn volk. Een toevallig voorval van korte duur heeft soms de grootste en gelukkigste wending in iemands leven gebracht.
1. Ten opzichte van de zeven dochters van Rehuel, de priester, of overste, van Midian valt op te merken:
1. Dat zij nederig en zeer ijverig waren, volgens de gewoonte van het land kwamen zij om water te putten voor de kudde van haar vader vers 16. Indien haar vader een overste, of vorst, was, dan leert ons dit dat zelfs zij, die van een hoge geboorte zijn, tot de aanzienlijken behoren van hun land, zich toch met de een of andere nuttige werkzaamheid moeten bezighouden, en wat hun hand te doen vindt, moeten doen met al hun macht. Luiheid is niemand tot eer. Indien haar vader een priester was, dan leert ons dit dat zeker kinderen van leraren voorbeelden moeten zijn van nederigheid en ijverigheid.
2. Zij waren zedig en bescheiden en wilden deze Egyptische vreemdeling niet vragen om mee naar huis te gaan, hoewel hij een mooie man en een voornaam hoveling was voordat haar vader om hem zond. Zedigheid is het sieraad van deze sekse.
II. Betreffende Mozes, hij werd voor een Egyptenaar aangezien, vers 19, en vreemdelingen moeten zich zulke vergissingen laten begaan, maar het is opmerkelijk:
1. Hoe bereid hij was de dochters van Rehuel te helpen om water te putten voor haar kudden. Hoewel opgevoed tot geleerdheid en aan een hof, wist hij toch zijn handen te gebruiken voor zulk werk, als dit nodig was, ook heeft hij van de Egyptenaren niet geleerd schaapherders te verachten. Zij, die een wetenschappelijke opleiding gehad hebben, behoren toch geen vreemdelingen te zijn voor handenarbeid want zij weten niet hoe zij in de weg van de Voorzienigheid er toe gebracht kunnen worden, om voor zichzelf te moeten werken, of welke gelegenheid God hun kan geven om voor anderen van dienst te kunnen zijn. Deze jonge vrouwen schijnen tegenstand ontmoet te hebben bij haar werk, meer dan waartegen zij en haar helpsters bestand waren, de herders van een naburige vorst, zoals sommigen denken, of wel enige lediglopers, die zich herders noemden, dreven ze vandaar. Maar Mozes, hoewel hij in ellendige omstandigheden verkeerde en het hem droevig te moede was, stond op en verloste ze, en na haar van de herders bevrijd te hebben hielp hij haar om de kudden te drenken. Dit deed hij niet alleen uit beleefdheid voor de dochters van Rehuel (hoewel ook dit erg keurig voor hem was) maar omdat hij, waar hij zich ook bevond,
a. Het beminde om gerechtigheid te doen en ter verdediging op te treden van hen, aan wie hij onrecht zag geschieden wat iedereen behoort te doen voorzoveel dit in zijn vermogen is.
b. Omdat hij het beminde goed te doen. Overal, waar wij door Gods voorzienigheid heengeleid worden moeten wij wensen en proberen nuttig te zijn, en als wij het goed niet kunnen doen, dat wij zouden willen, dan moeten wij bereid zijn het goed te doen, dat wij kunnen. En aan wie getrouw is in weinig, zal meer toevertrouwd worden. 2. Hoe goed hij voor zijn dienstvaardigheid beloond werd. Toen de jonge vrouwen haar vader bekendmaakten met de vriendelijkheid die de vreemdeling haar had bewezen, zond hij heen om hem in zijn huis te nodigen, en maakte toen veel werk van hem, vers 20. Zo zal God de vriendelijkheid belonen, die te eniger tijd aan Zijn kinderen wordt bewezen, zij, die dit doen, zullen hun loon geenszins verliezen. Mozes wist spoedig de achting en genegenheid van deze vorst van Midian te verwerven, die hem in zijn huis nam, en hem na verloop van tijd zijn dochter ten huwelijk gaf, vers 21. Zij baarde Mozes een zoon, die hij Gersom noemde, d.i. een vreemdeling aldaar, vers 22, opdat, zo God hem ooit een eigen huis gaf, hij het land in gedachte zou houden, waarin hij een vreemdeling is geweest. Deze vestiging nu van Mozes in Midian was door Gods voorzienigheid bestemd:
A. Om hem voor het tegenwoordige te beschutten. God zal ten dage van hun benauwdheid een schuilplaats vinden voor Zijn volk, ja Hij zelf zal hun ten schuilplaats wezen en hen beveiligen, hetzij onder de hemel of in de hemel. Maar:
B. Het was ook bedoeld om hem toe te bereiden voor het grote werk, waartoe hij bestemd was. Zijn wijze van leven in Midian, waar hij de kudde hoedde van zijn schoonvader, (er zelf geen hebbende om te hoeden) zal hem nuttig zijn:
a. Om hem te harden tegen armoede en ontbering, ten einde te leren gebrek te lijden, zowel als overvloed te hebben. God zal hen, die Hij van plan is te verhogen, eerst vernederen.
b. Om hem te wennen aan nadenken en stille beoefening van Godsvrucht. Egypte heeft hem opgevoed om een geleerde, een beschaafd man, een staatsman en krijgsman te zijn, al welke begaafdheden hem later nuttig en van dienst zullen zijn, doch een ding ontbrak hem nog, waaraan het hof van Egypte hem niet kon helpen. Hij, die alles door Goddelijke openbaring zal hebben te doen, moet door langdurige ervaring weten wat het is, om een leven van gemeenschap met God te leiden, en hiervoor zal de eenzaamheid en de afzondering van het leven van een schaapherder in Midian zeer bevorderlijk zijn. Door zijn vroeger leven was hij toebereid om te heersen in Jeshurun, maar door zijn later leven werd hij toebereid om met God te spreken op de berg Horeb, in welke omgeving hij veel van zijn tijd doorbracht. Zij, die weten wat het is om alleen te zijn met God in heilige oefening van de Godsvrucht, zijn bekend met heerlijker genietingen, dan Mozes ooit aan het hof van Farao gesmaakt heeft.