Exodus 16:22-31
Hier hebben wij:
I. Een duidelijke aanwijzing voor een zevende-dag-sabbat, niet alleen voor de wetgeving op de berg Sinaï, maar vóór de uitvoering van Israël uit Egypte, en dus van het begin, Genesis 2:3. Indien de sabbat thans voor het eerst ingesteld was, hoe zou Mozes dan hebben kunnen verstaan wat God tot hem zei, vers 5, betreffende een dubbele dagmaat, die op de zesde dag verzameld zou worden zonder een uitdrukkelijke vermelding van de sabbat? En hoe kon het volk zo geredelijk de wenk begrijpen, tot verbazing zelfs van de oversten, vers 22, voordat Mozes nog gezegd had dat het geschiedde vanwege de sabbat indien zij niet reeds enige kennis hadden van de sabbat? Het afzonderen van een dag van de zeven voor heilige arbeid, en te dien einde voor de heilige rust, was een goddelijke verordening van dat God de mens op aarde geschapen heeft af en is de oudste van alle positieve wetten. De sabbat te heiligen, dat is zich op de goede oude weg te houden.
2. De dubbele voorraad, die God voor de Israëlieten bereidde en die zij moesten inzamelen op de zesde dag. God gaf hun op de zesde dag voor twee dagen brood, vers 29. Bepalende dat zij op de zevende dag zullen rusten, heeft Hij gezorgd dat zij daar niets bij zouden verliezen, en zo zal ook niemand er ooit iets door verliezen als hij God dient. Op die dag moesten zij inzamelen voor twee dagen en het bereiden, vers 23. De wet was zeer strikt, dat zij op de dag tevoren, en niet op de sabbatdag, moesten bakken en koken. Dit maakt het voor ons thans niet ongeoorloofd om op de dag van de Heer onze spijzen te bereiden, maar is ons wel een aanduiding om onze huiselijke aangelegenheden zo te regelen, dat zij ons zo min mogelijk belemmeren in ons werk voor de sabbat. Werken van noodzakelijkheid mogen ongetwijfeld op die dag gedaan worden, maar het is wenselijk om zo weinig mogelijk te doen van de dingen, die noodzakelijk zijn voor het tegenwoordige leven, ten einde ons meer toe te leggen op het ene nodige. Wat zij voor hun voedsel op de sabbatdag hielden, bedierf niet, vers 24. Als zij het hielden in weerwil van een gebod, vers 20, stonk het, als zij het hielden in gehoorzaamheid aan een gebod was het vers en goed, want alles wordt geheiligd door het woord van God en door het gebed.
3. Het ophouden van het manna op de zevende dag. God zond het dan niet, en daarom moeten zij het niet verwachten noch uitgaan om het op te zamelen, vers 25, 26. Hieruit bleek dat het door geen natuurlijke oorzaken werd voortgebracht, en dat het bestemd was om een bevestiging te zijn van het goddelijk gezag van de wet, die door Mozes gegeven zal worden. Aldus heeft God afdoende maatregelen genomen om hen de sabbatdag te doen gedenken, zij konden hem niet vergeten, evenmin als de dag van de voorbereiding er voor. Sommigen schijnen op de zevende dag te zijn uitgegaan in de verwachting manna te zullen vinden, vers 27, maar zij vonden er geen, want zij, die willen vinden, moeten zoeken op de bestemde tijd, zoekt de Heer terwijl Hij te vinden is. Bij deze gelegenheid zei God tot Mozes: Hoelang weigert u Mijn geboden en Mijne wetten te houden? vers 28. Waarom heeft Hij dit tot Mozes gezegd? Hij was niet ongehoorzaam, neen, maar hij was de bestuurder van een ongehoorzaam volk, en God legt het hem ten laste, opdat hij er hen met des te meer ijver om zou bestraffen, en zorg zou dragen dat hun ongehoorzaamheid door geen onachtzaamheid of nalaten van hem veroorzaakt zou worden. Het was wegens hun uitgaan op de zevende dag om manna te zoeken, dat zij aldus bestraft werden. Ongehoorzaamheid, zelfs in het kleine, is zeer tergend. God ijvert voor de eer van Zijn sabbatten. Indien het uitgaan op de sabbat om voedsel te zoeken aldus bestraft werd, dan voorzeker kan het uitgaan op de sabbat enkel en alleen om ons eigen vermaak te zoeken, niet gerechtvaardigd worden.