Exodus 16:1-12
Het leger van Israël schijnt, toen zij op de vijftiende dag van de eerste maand uit Egypte getogen zijn, voor een maand provisie meegenomen te hebben, die op de vijftiende dag van de tweede maand geheel uitgeput was, en nu hebben wij hier:
I. Hun ontevredenheid en murmurering bij deze gelegenheid, vers 2, 3. De gehele vergadering, of het merendeel, deed mee in deze muiterij. Het was niet onmiddellijk tegen God, dat zij murmureerden, maar (hetgeen er mee gelijkstond) tegen Mozes en Aäron, de plaatsvervangers onder hen.
1. Zij rekenen er op gedood te zullen worden in de woestijn, niets minder, en wel bij het eerste verschijnen van een ramp. Als het de Heer behaagd had hen te doden, dan had Hij dit gemakkelijk kunnen doen bij de Rode Zee, maar toen heeft Hij hen bewaard, en nu kon Hij even gemakkelijk in hun behoefte voorzien. Het toont groot wantrouwen van God en van Zijn macht en goedheid om in elke benauwdheid en zodra er gevaar schijnt te komen, aan het leven te wanhopen en van niets anders te spreken dan van nu wel spoedig gedood te zullen worden.
2. Op hatelijke wijze beschuldigen zij Mozes van het plan om hen te laten doodhongeren in de woestijn, toen hij hen uit Egypte heeft gevoerd, terwijl toch hetgeen hij gedaan had, op bevel was van God en met het doel om hun welzijn te bevorderen. Het is niets nieuws, dat daden van de grootste goedheid en vriendelijkheid verkeerd uitgelegd, ja laaghartig als het grootste onrecht worden voorgesteld, in de zwartste kleuren worden afgeschilderd.
3. Zij onderschatten dermate hun bevrijding, dat zij wensen in Egypte te zijn gestorven, ja door de hand van de Heer te zijn gestorven, dat is, door een van de plagen, die de Egyptenaren hebben afgesneden, alsof het niet de hand van de Heer, maar die van Mozes was die hen in deze woestijn van de honger had gevoerd. Gewoonlijk zeggen de mensen van een pijn, een ziekte, of een wond, waarvan zij de tweede of ondergeschikte oorzaken niet zien: "Het was wat het de Heer behaagd heeft", alsof dit niet ook zo was met hetgeen door de hand van mensen of door een ongeval komt. Ongehoorde dwaasheid! Zij willen liever sterven bij de vleespotten van Egypte, waar hun geen voedsel ontbrak, dan leven onder de leiding van de hemelse wolk- en vuurkolom, terwijl door de hand van God voorzien wordt in hun behoeften. Zij verklaren dat het beter zou geweest zijn gevallen te zijn in het verderf van Gods vijanden, dan de vaderlijke tucht te dragen van Zijn kinderen. Wij kunnen niet denken dat zij het in Egypte heel bijzonder ruim hadden, hoe hoog zij nu ook opgeven van de vleespotten, en zij konden ook niet bang zijn om in de woestijn van honger te zullen sterven, daar zij toch hun runderen en schapen bij zich hadden, maar ontevredenheid vergroot en verheerlijkt het verledene en verlaagt en hoont het tegenwoordige, zonder zich aan waarheid of rede te storen. Niemands spreken is ongerijmder dan van murmureerders. Hun ongeduld, hun ondankbaarheid en wantrouwen van God waren nog zo veel te erger, nu zij zo onlangs zulke wonderdadige gunstbewijzen hadden ontvangen, en zulke overtuigende bewijzen dat God hen ook in de grootste nood kon helpen, en werkelijk goedertierenheid en zegeningen voor hen had weggelegd. Zie hoe spoedig zij "Zijn werken vergaten, en weerspannig waren aan de Schelfzee," Psalm 106:7-13 Ervaringen van Gods goedertierenheden verzwaren ten zeerste ons wantrouwen en murmureren. II. Hoe God genadig zorg droeg voor hun onderhoud. Rechtvaardig had Hij kunnen zeggen: "Ik zal vuur en zwavel op deze murmureerders doen regenen en hen verteren", maar juist het tegendeel. Hij belooft brood op hen te doen regenen.
Merk op:
1. Hoe God aan Mozes Zijn vriendelijke voornemens mededeelt, opdat hij niet ongerust zou zijn onder hun murmureren, of in verzoeking zou zijn om te wensen dat hij hen maar in Egypte had gelaten.
a. Hij let op de klachten van het volk, vers 12. Ik heb de murmureringen van de kinderen van Israël gehoord. Als een God van ontfermens nam Hij kennis van hun nood, die de aanleiding was van hun murmureren, als een heilig en rechtvaardig God nam Hij kennis van hun laag, onwaardig berispen van Mozes, Zijn knecht, en was zeer misnoegd op hen. Als wij beginnen te tobben en ongerust te zijn, dan moeten wij bedenken dat God al onze murmureringen hoort, al zijn zij ook stil, al zijn het slechts murmureringen in het hart. Vorsten, ouders, meesters horen niet al het murmureren tegen hen van hun ondergeschikten, en het is goed, dat zij het niet horen, want zij zouden het wellicht niet kunnen dragen, maar God hoort het, en toch verdraagt Hij het. Wij moeten niet denken, dat God, omdat Hij niet terstond wraak doet aan de mensen vanwege hun zonden, er daarom ook niet op let, ze niet opmerkt, neen, Hij hoort de murmureringen van Israël, en heeft verdriet aan dit geslacht, en toch blijft Hij voor hen zorgen, zoals een teder vader voor een ondeugend kind.
b. Hij belooft hun spoedige, genoegzame en voortdurende voorziening in hun behoeften, vers 4. De mens uit de aarde gemaakt zijnde, heeft zijn Maker hem wijselijk voedsel uit de aarde verordineerd Psalm 104:14. Maar het volk van Israël, een type zijnde van de kerk, de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemel opgeschreven zijn en van boven zijn geboren, en zelf zich onder de onmiddellijke leiding en regering van de hemel bevindende, hun voorrechten, wetten en opdrachten van de hemel ontvangende ontvingen zij ook hun spijs van de hemel, hun wet door bestellingen van engelen gegeven zijnde, hebben zij ook engelenbrood gegeten. Zie wat God bedoelde door deze voorziening voor hen te maken: Opdat Ik het beproeve, of het in Mijn wet ga of niet. Aldus beproefde Hij hen, of zij op Hem wilden vertrouwen, in de wet van het geloof wilden wandelen, of niet, of zij tevreden waren om van de hand in de tand te leven, en (hoewel zij nu ongerust waren, omdat hun proviand op was) tevreden konden zijn met het brood van de dag in de dag, en op God konden vertrouwen voor het brood van morgen. Aldus beproefde Hij hen ook, of zij Hem wilden dienen, altijd getrouw zouden blijven aan zo'n goede Meester, die zo goed zorgde voor Zijn dienstknechten, en hiermede heeft Hij voor de gehele wereld in de uitkomst doen blijken welk een ondankbaar volk zij waren, die door niets tot het besef van hun plicht gebracht konden worden. Er wordt hun "genade bewezen, en toch leren zij geen gerechtigheid," Jesaja 26:10.
2. Hoe Mozes zoals God hem bevolen had deze voornemens aan Israël bekendmaakte, hier was Aäron zijn profeet, zoals hij het ook bij Farao geweest is. Mozes zei aan Aäron wat hij tot de vergadering van de kinderen van Israël moest zeggen, vers 9, en sommigen denken dat Mozes, terwijl Aäron de vergadering opriep om te naderen voor het aangezicht van de Heer, zich afzonderde tot gebed, en dat de verschijning van de heerlijkheid van de Heer in de wolk vers 10, het teken was van de verhoring van zijn gebed. Zij worden geroepen om te naderen zoals in Jesaja 1:18. `Komt dan, en laat ons tezamen richten." God verwaardigt zich om zelfs murmureerders gehoor te verlenen, en zullen wij dan het recht versmaden van onze minderen, als zij geschil met ons hebben? Job 31:13.
A. Hij overtuigt hen van het boze van hun murmureringen. Zij dachten alleen op Mozes en Aäron een blaam te werpen, maar hier wordt hun aangezegd, dat zij in hen God zelf hebben aangevallen. Hier wordt sterk op gewezen, vers 7, 8:"Uw murmureringen zijn niet tegen ons, want dan zouden wij gezwegen hebben, maar tegen de Heer, Hij was het, die u in deze moeilijkheid gebracht heeft, niet wij." Als wij in verzoeking zijn om te murmureren tegen hen, die het middel zijn voor enigerlei ongerief voor ons, hetzij dan terecht of ten onrechte, dan zullen wij goed doen met te bedenken, hoe wij hiermede God zelf laken, want mensen zijn slechts Gods hand. Zij, die zich verzetten tegen de bestraffing en beschuldiging van het woord, in toorn worden ontstoken tegen hun leraren, als deze de vinger leggen op een wond bij hen, weten niet wat zij doen, want hierin twisten zij met hun Maker. Laat dit aan alle murmureren voor altijd het zwijgen opleggen, dat het vermetele goddeloosheid is om tegen God te murmureren, omdat Hij God is, en grote dwaasheid om tegen mensen te murmureren, omdat zij slechts mensen zijn.
B. Hij verzekert hun dat in hun behoeften voorzien zal worden, dat zij, zo telkens sprekende van de vleespotten, die avond nu eens overvloedig vlees hebben zouden, en in de volgende morgen brood, en van nu voortaan elke dag, vers 8, 12. Er zijn velen, van wie wij zeggen dat zij beter gevoed dan onderwezen zijn, maar de Israëlieten werden aldus gevoed, opdat zij onderwezen zouden zijn, Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Deuteronomium 32:10, en zie betreffende dit voorbeeld, Deuteronomium 3. "Hij spijsde u met het man. opdat Hij u bekendmaakte dat de mens niet alleen van het brood leeft. En behalve dat worden hier nog twee dingen genoemd, die Hij door hun het manna te zenden, hen wilde leren:
a. Dan zult gij weten, dat u de Heer uit Egypteland uitgeleid heeft, vers 6. Dat zij uitgeleid waren uit Egypte was duidelijk genoeg, maar zo onbegrijpelijk dom en kortzichtig waren zij, dat zij zeiden dat het Mozes was die hen uitgeleid heeft, vers 3. Nu zond God hun manna, om te bewijzen, dat het niets minder dan de oneindige macht en goedheid van God was, die hen uitgeleid heeft, en die voleindigen kon wat zij heeft begonnen. Indien het slechts Mozes was die hen had uitgeleid uit Egypte, dan zou hij hen niet aldus hebben kunnen spijzigen, daarom moeten zij erkennen, dat het het doen van de Heer was omdat dit zo was, en beide waren wonderlijk in hun ogen, en toch hadden zij het nog lang daarna nodig, dat hun gezegd werd, dat "Mozes hun dit brood van de hemel niet had gegeven," Johannes 6:32.
b. Gij zult weten, dat Ik de Heer uw God ben, vers 12. Dit gaf het bewijs van Zijn macht als de Heer, en van Zijn bijzondere gunst jegens hen als hun God. Toen God plagen bracht over de Egyptenaren, was het om hun te doen weten dat Hij de Heer is, toen Hij in de behoeften voorzag van de Israëlieten, was het om hun te doen weten, dat Hij hun God is.
3. Hoe God zelf Zijn heerlijkheid openbaarde om het murmureren van het volk tot zwijgen te brengen en eer te geven aan Mozes en Aäron vers 10. Terwijl Aäron nog sprak verscheen de heerlijkheid van de Heer in de wolk. Men zou denken dat de wolk zelf reeds genoeg was om hen te vervullen met ontzag en hun moed te geven, maar binnen weinige dagen waren zij er reeds vertrouwd mee geworden, zodat die geen indruk op hen maakte, tenzij er een ongewone schittering in gezien werd. Wat Gods dienstknechten tot ons zeggen, zal ons goed doen, als er de heerlijkheid van de Heer in verschijnt aan onze zielen.