Exodus 16:13-21
Nu begint door de onmiddellijke hand van God voor hen voorzien te worden.
I. `s avonds geeft Hij hun een feestmaal van mals gevogelte, "gevleugeld gevogelte" Psalm 78:27, en dus geen sprinkhanen, zoals sommigen denken, kwakkels, of patrijzen, of de een of andere wilde vogelsoort kwamen op, en bedekten het leger, zó tam, dat zij er zoveel van konden vangen als zij wilden. Van de goede dingen van het leven geeft God ons niet slechts voor onze nooddruft, maar ook voor onze verlustiging, opdat wij Hem niet alleen dienen, maar dienen met blijdschap.
II. De volgende morgen regende Hij manna op hen, hetwelk hun nu voortaan tot dagelijks brood werd gegeven.
1. Wat voor hen voorzien werd was manna dat neerkwam uit de wolken, zodat zij in zekere zin, gezegd kunnen worden, geleefd te hebben van de lucht. Het kwam neer in dauw die zich oploste, maar was zelf van zo'n vastheid, dat het tot voedende, versterkende spijs kon dienen, zonder toevoeging van iets anders. Zij noemden het manna, man hoe, "Wat is dit?" Hetzij: "Welk een armzalig iets is dit!" in minachting er van, of: "Welk een vreemd ding is dit!" in bewondering er van, of: "Het is iets, het doet er niet toe wat, het is hetgeen God ons toebeschikt heeft, en wij zullen het nemen en er dankbaar voor zijn" vers 14, 15. Het was een aangename spijs de Joden zeggen dat het naar ieders smaak was, hoe verschillend hun smaak overigens ook zijn mocht. Het was gezond voedsel, licht verteerbaar, en zeer nodig (zegt Dr. Grew) om hen van kwalen te bevrijden, waarmee zij naar hij denkt, in de tijd van hun dienstbaarheid min of meer behept waren, en die door een weelderig dieet besmettelijk zouden geworden zijn. Door dit spaarzaam en eenvoudig dieet wordt ons allen geleerd matigheid te betrachten, en verboden naar lekkernijen en keur van spijzen te haken.
2. Zij moesten het elke morgen inzamelen, vers 16, elke dagmaat op haar dag, vers 4. Aldus moeten zij leven van de dagelijkse voorzienigheid van God, zoals de vogelen van de lucht waarvan gezegd is: "Zij allen wachten op U dat Gij hun hun spijs geeft op zijn tijd. Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze." Psalm 104:27, 28, niet vandaag voor morgen, de morgen zal voor het zijne zorgen. Op die dagelijkse regen van manna en het inzamelen ervan, schijnt onze Heiland te zinspelen, als Hij ons leert bidden: "Geef ons heden ons dagelijks brood." Hiermede wordt ons geleerd:
a. Voorzichtigheid en naarstigheid om te voorzien in het brood van ons bescheiden deel voor onszelf en voor ons gezin, wat God genadig geeft moeten wij ijverig verzamelen, rustig arbeidende en ons eigen brood etende, niet het brood van de leegheid noch van het bedrog. Gods milddadigheid laat plaats voor de plicht van mensen. Zo was het zelfs toen er manna regende, zij kunnen niet eten voor zij het ingezameld hebben.
b. Tevredenheid met het genoegzame, zij moeten verzamelen, een ieder naar dat hij eten mag, genoeg is zo goed als een feestmaal, en meer dan genoeg is zo slecht als overlading of oververzadiging. Zij, die het meeste hebben, hebben voor zichzelf slechts voedsel en kleren en vrolijkheid, en zij, die het minste hebben, hebben over het algemeen dit ook, zodat die veel verzamelt niets over heeft, en degene, die weinig verzamelen, niet ontbreekt. Er is geen zo grote onevenredigheid tussen de een en de ander in het gerieflijke en de genieting van de dingen van dit leven als er in de eigenschap en het bezit van alle dingen zelf is. c. Afhankelijk te zijn van Gods voorzienigheid: "Niemand laat daarvan over tot de morgen, vers 19, laat hen leren naar bed te gaan en rustig te slapen, al hebben zij ook geen stuk brood in hun tent, noch in geheel hun kamp, vertrouwende dat God met de volgende dag hun het dagelijks brood zal brengen". Het was zekerder en veiliger in Gods voorraadschuur dan in hun eigen en zal vandaar zoeter en frisser tot hen komen. Lees hierbij Mattheus 6:25, "Zijt niet bezorgd voor uw leven," enz. Zie hier de dwaasheid van verzamelen en opleggen. Het manna, dat door sommigen bewaard werd, (die zich verstandiger achtten dan hun naburen, en voor zichzelf wilden zorgen ingeval het op de volgende dag ontbrak) bedierf, er kwamen wormen in, en zo deugde het nergens voor. Datgene blijkt het meest verspild te zijn, hetwelk schrokkig en mistrouwend gespaard wordt. Zulke rijkdom is verrot, Jakobus 5:2, 3.
Laat ons nu eens nadenken:
Ten eerste. Over de grote macht van God, die Israël gespijzigd heeft in de woestijn en wonderen tot hun dagelijks brood maakte. Wat kan deze God niet doen, die een tafel toegericht heeft in de wildernis, en haar rijkelijk heeft voorzien voor hen, die getwijfeld hebben, zich afvroegen of Hij het al of niet kon? Psalm 78:19, 20. Nooit was er ergens zo'n markt van levensmiddelen als deze, die voor zoveel honderd duizenden van mensen voedsel leverde zonder geld en zonder prijs. Nooit werd ergens zo open tafel gehouden als God gedurende veertig jaren gedaan heeft in de woestijn, noch werd ergens ooit zo'n vrij en overvloedig onthaal gevonden. De maaltijd, die Ahasveros maakte om "de rijkdom van de heerlijkheid van zijn rijk en de kostelijkheid van het sieraad van zijn grootheid te tonen," Esther 1:4, was, hierbij vergeleken, niets. Er is gezegd in vers 21, als de zon heet werd, zo versmolt het, alsof hetgeen overgebleven was door de hitte van de zon opgetrokken werd in de lucht, om het zaad te wezen voor de oogst van de volgende dag, en zo ging het van dag tot dag.
Ten tweede. Over die voortdurende voorzienigheid Gods "die alle vlees spijze geeft, want zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid," Psalm 136:25. Hij is wel een groot huishouder, die voor alle schepselen voorziet. Dezelfde wijsheid, macht en goedheid, die toen dagelijks voedsel deed voortkomen uit de wolken, doet ook nu in de gestadige loop van de natuur voedsel voortkomen uit de aarde en verleent ons alle dingen rijkelijk om te genieten.