Handelingen 1:12-14
Hier wordt ons gezegd: I. Van wáár Christus ten hemel is opgevaren-van den Olijfberg, vers 12, van dat gedeelte er van, waar Bethanië was gelegen, Lukas 24:50. Dáár begon Hij Zijn lijden, Lukas 22:39, en daarom heeft Hij dáár door Zijne heerlijke hemelvaart den smaad er van afgewenteld, en zo toonde Hij, dat Zijn lijden en Zijne hemelvaart hetzelfde doel en de zelfde strekking hadden. Aldus wilde Hij in het gezicht van Jeruzalem, en van de ongehoorzame en ondankbare inwoners er van, die niet wilden, dat Hij over hen zou heersen, Zijn koninkrijk binnengaan. Er was van Hem voorzegd, Zacheria 14:4, dat Zijne voeten zullen staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, dáár het laatst zouden staan, en er volgt op: de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden. Van den Olijfberg is Hij opgevaren, die de goede olijfboom is, waaruit wij de gouden olie-de zalving- ontvangen, Zacheria 4:12, Romeinen 11:24. Van dezen berg wordt hier gezegd, dat hij nabij Jeruzalem is, liggende van dáár ene sabbatsreize, dat is: op een kleinen afstand, niet verder, dan waarheen vrome mensen ter overpeinzing hun wandeling uitstrekten op een' sabbatavond, nadat de openbare eredienst was afgelopen. Sommigen schatten dien afstand op duizend schreden, anderen op tweeduizend ellen, sommigen op zeven stadiën, anderen op acht. Bethanië lag wel op vijftien stadiën van Jeruzalem, Johannes 11:18, maar dat deel van den Olijfberg, dat het dichtst bij Jeruzalem was, en van waar Christus Zijn triomfantelijken intocht begon, was slechts op een afstand van zeven of acht stadiën. De Chaldeeuwse paraphrast op Ruth 1 zegt: "Er is ons geboden den sabbat en de heilige feestdagen waar te nemen door niet verder te wandelen dan twee duizend ellen", hetgeen zij gronden op Jozua 3:4, waar, bij hun tocht door de Jordaan de ruimte tussen hen en de ark twee duizend ellen moest bedragen. God had hen toen niet aldus beperkt, maar zij hadden zich zelven beperkt, en in zo verre is het een regel voor ons om op den sabbat niet verder te reizen dan om het sabbatswerk te kunnen doen, en voor zo ver het hiertoe nodig is mogen wij dit niet slechts, maar wordt het ons geboden, 2 Koningen 4:23.
II. Werwaarts de discipelen terugkeerden: zij kwamen te Jeruzalem, overeenkomstig huns Meesters bevel, hoewel zij daar in het midden van vijanden waren, maar het schijnt, dat, hoewel zij onmiddellijk na Christus' opstanding in het oog werden gehouden, en zij in vreze der Joden waren, er toch, nadat het bekend was geworden, dat zij naar Galilea waren gegaan, gene verdere notitie van hen genomen werd bij hun terugkeer in Jeruzalem, en dat er ook gene verdere nasporingen naar hen werden gedaan. God kan schuilplaatsen vinden voor Zijn volk, zelfs te midden hunner vijanden, en zulke invloeden doen werken op Saul, dat hij David niet langer zoekt. Te Jeruzalem gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, niet dat zij allen in ene kamer woonden en aten, maar zij zijn er elke dag saamvergaderd, en brachten er hun tijd door in Godvruchtige oefeningen, in afwachting van de nederdaling des Geestes. De geleerden hebben allerlei gissingen omtrent deze opperzaal. Sommigen denken, dat het een der opperzalen was van den tempel, maar het is niet denkbaar, dat de overpriesters, die de beschikking hadden over deze kamers, er Christus' discipelen in zouden toelaten, om er te verblijven. Wel is door dezelfden geschiedschrijver gezegd, dat zij allen tijd in den tempel waren Lukas 24:53, maar dat was in de voorhoven van den tempel, in de uren des gebeds, want men kon hen niet verhinderen die bij te wonen. Maar deze opperzaal schijnt in een particulier huis te zijn geweest. De heer Gregory van Oxford, is van deze mening-en hij ondersteund haar met de aanhaling van een Syrischen scholiast op deze Schriftuurplaats, waar hij zegt, dat het dezelfde opperzaal was, waarin zij het pascha hadden gegeten, en hoewel die anoogeon, en deze huperooion wordt genoemd, kunnen beiden toch hetzelfde betekenen. "Of het", zegt hij, "in het huis van Johannes, den evangelist was, zoals Euodius verzekert, of in dat van Maria, de moeder van Johannes Markus, zoals door anderen beweerd wordt, is niet met zekerheid te zeggen".
III. Wie de discipelen waren, die bij elkaar bleven. De elf apostelen, worden hier met name genoemd, vers 13, zo ook Maria, de moeder onzes Heeren, vers 14, en het is de laatste maal, dat van haar melding wordt gemaakt in de Schrift. Er waren anderen, die hier gezegd worden de broeders onzes Heeren te zijn, Zijne bloedverwanten naar het vlees, en, om de honderd en twintig voltallig te maken, waarvan gesproken wordt in vers 15, kunnen wij veronderstellen, dat al de zeventig discipelen, of de meesten van hen, bij hen waren, die metgezellen waren van de apostelen, en door hen als evangelisten gebruikt werden.
IV. Hoe zij hun tijd doorbrachten: Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken. Merk op:
1. Zij baden en smeekten. Al het volk van God is een biddend volk, zij zijn steeds in het gebed, Het was nu een tijd van benauwdheid en gevaar voor de discipelen van Christus, zij waren als schapen in het midden der wolven, en: Is iemand in lijden? Dat hij bidde, dat zal alle zorg en vrees doen zwijgen. Zij hadden een nieuw werk voor zich, een groot werk, en eer zij daartoe ingingen, was er een gedurig gebed van hen tot God om Zijne tegenwoordigheid er in. Eer zij voor het eerst werden uitgezonden, heeft Christus veel tijd doorgebracht in het gebed voor hen, en nu brengen zij den tijd door in het gebed voor zich zelven. Zij waren wachtende op de nederdaling des Geestes op hen en daarom waren zij aldus overvloedig in het gebed. De Geest is nedergedaald op Christus, toen Hij in het gebed was, Lukas 3:21-22. Diegenen zijn in de beste gemoedsstemming om geestelijke zegeningen te ontvangen, die in ene biddende gemoedsstemming zijn. Christus had beloofd, nu weldra den Heiligen Geest te zenden, deze belofte moest hen niet doen aflaten van het gebed, maar er hen toe opwekken en aanmoedigen. God wil verzocht worden om de beloofde zegeningen, en hoe naderbij de vervulling schijnt te zijn, hoe vuriger wij er om moeten bidden.
2. Zij waren volhardende in het gebed, brachten er veel tijd in door, meer dan gewoonlijk, zij baden dikwijls en lang. Zij hebben nooit ene ure des gebeds gemist, zij waren besloten er in te volharden, totdat de Heilige Geest kwam overeenkomstig de belofte, te bidden en niet te vertragen. In Lukas 24:53 wordt gezegd: zij waren lovende en dankende God, hier: zij waren volhardende in het bidden en smeken, want gelijk loven en danken voor de belofte ene betamelijke wijze van vragen is om hare vervulling, en danken voor genotene zegeningen een vragen is om nog verdere zegeningen, zo geven wij in het zoeken van God Hem de eer van een zegen en de genade, die wij in Hem gevonden hebben.
3. Zij deden dit eendrachtelijk. Dit toont aan, dat er ene heilige liefde onder hen heerste, dat er geen twist of tweedracht onder hen was, en zij, die aldus de enigheid des Geestes behouden door den band des vredes, zijn het best toebereid om de vertroostingen des Heiligen Geestes te ontvangen. Het geeft ook te kennen hun waardige instemming met de smekingen, die gedaan werden, hoewel er slechts een sprak, hebben toch allen gebeden, en indien er twee samenstemmen over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, zij hun geschieden zal, hoe veel te meer dan niet, wan neer velen samenstemmen in dezelfde bede. Zie Mattheus 18:19.