Deuteronomium 32:19-25
De methode van dit lied volgt de methode van de voorzeggingen in het vorige hoofdstuk, en daarom volgen na Israëls afval van God, beschreven in de vorige verzen nu onmiddellijk de besluiten van de Goddelijke gerechtigheid hen betreffende. Wij bedriegen ons als wij denken dat God zich aldus door een dwaas en trouweloos volk laat bespotten, dat onstandvastig met Hem is.
I. Hij had zich in hen verlustigd, maar nu zal Hij hen met verfoeiing en verachting verwerpen, vers 19. Toen de Heere hun valsheid en dwaasheid zag, en hun lage ondankbaarheid versmaadde Hij hen. De zonde maakt ons hatelijk in de ogen van de heilige God, en geen zondaren zijn zo afzichtelijk voor Hem als degenen, die Hij Zijn zonen en dochteren had genoemd, en die zichzelf zo genoemd hebben, en Hem toch hebben getergd en tot toorn verwekt. Hoe nader iemand is tot God in belijdenis, hoe walglijker zij Hem zijn, als zij zich verontreinigen door hun werken, Psalm 106:39-40.
II. Hij had hun de tekenen gegeven van Zijn tegenwoordigheid en van Zijn gunst, maar nu zal Hij zich van hen terugtrekken, en Zijn aangezicht van hen verbergen, vers 20. Het verbergen van Zijn aangezicht geeft Zijn groot misnoegen te kennen, zij hadden Gode hun rug toegekeerd, en nu zal God hun Zijn rug toekeren, vergel. Jeremia 18:7 met Jeremia 2:27, maar hier geeft het ook te kennen de traagheid van Gods maatregelen in de weg des oordeels. In hun afval begonnen zij met nalaten van hetgeen goed is, en gingen toen voort met het doen van wat kwaad is. Evenzo zal God eerst Zijn gunsten opschorten, en laat Hij hun zien wat daar het gevolg van zal zijn, welk een vriend zij verliezen als zij God er toe brengen hen te verlaten, om te beproeven of dat hen tot berouw en bekering zal brengen. Zo bevinden wij dat God zich verbergt in de verwachting, als het ware, van de gebeurtenis, Jesaja 57:17. Om zich te rechtvaardigen in Zijn verlaten van hen toont Hij, dat zij van zo'n gemoedsaard waren, dat men niets met hen kon uitrichten, want zij zijn:
1. Een verkeerd geslacht, een volk, ontevreden van aard, hardnekkig in de zonde, en dat zich niet wilde verbeteren.
2. Zij waren trouweloos, een volk, dat men niet kon vertrouwen. Toen Hij hen verloste en opnam in het verbond, zei Hij, zij zijn kinderen, die niet liegen zullen, Jesaja 63:8, maar toen zij bleken anders te zijn, kinderen in welke geen trouw is, verdienden zij verlaten te worden, dat de God van de waarheid niets meer van doen met hen wilde hebben.
III. Hij had alles gedaan om het hun gemakkelijk te maken en hun genoegen te geven, maar nu wilde Hij hun datgene aandoen, dat uiterst kwellend voor hen zijn zal. De straf beantwoordt hier aan de zonde, vers 21.
1. Zij hadden God getergd met verachtelijke goden, die in het geheel geen goden waren, maar valse ijdelheden, schepselen van hun eigen verbeelding, die de eerbied hunner aanbidders noch verdienden of konden belonen. Hoe ijdeler en lager de goden waren, die zij nahoereerden, hoe groter de belediging was, die zij de grote en goede God aandeden, die zij de afgoden tot mededingers en tegenstanders gesteld hadden. Dit bracht twee grote boosheden in hun afgoderij, Jeremia 2:13. 2. God wilde hen daarom plagen met verachtelijke vijanden, die onwaardig, zwak, en van geen betekenis waren, de naam van volk niet verdienden, hetgeen voor hen een grote vernedering was, en de verdrukking, waaronder zij zuchtten, nog verzwaarde. Hoe lager het volk was, dat hen tiranniseerde, hoe wreder het zijn zal (niemand is zo lomp en onbeschoft als een bedelaar te paard), behalve nog, dat het smadelijk zal zijn voor Israël, dat zo dikwijls over grote en machtige volken had getriomfeerd, om nu zelf vertreden te worden door de zwakken en zotten, en onder de vloek te komen van Kanaän, die een knecht van de knechten moest zijn. Maar God kan het zwakste werktuig tot een gesel maken voor de sterkste zondaar, en zij, die door de zonde hun almachtige Schepper beledigen, worden rechtvaardiglijk beledigd door de geringste van hun medeschepselen. Dit werd op merkwaardige wijze vervuld in de dagen van de richteren, toen zij soms door diezelfde Kanaänieten verdrukt werden, die zij ten onder hadden gebracht, Richteren 4:2. Maar de apostel past het toe op de bekering van de heidenen, die een volk waren geweest, niet in verbond met God en dwaas omtrent Goddelijke zaken, maar in de kerk gebracht werden, zeer tot verdriet van de Joden, die daar bij alle gelegenheden een grote verontwaardiging om toonden, en dit was beide hun zonde en hun straf, zoals dit altijd met nijd en afgunst het geval is, Romeinen 10:19.
IV. Hij had hen in een goed land geplant, en hen voorzien van alle goede dingen, maar nu zal Hij hun al hun gerieflijkheden ontnemen en hen ten ondergang brengen. De bedreigde oordelen zijn zeer schrikkelijk, vers 22-25.
1. Het vuur van Gods toorn zal hen verteren. vers 22. Zijn zij trots op hun overvloed? Het zal de inkomsten van het land verteren. Vertrouwen zij op hun kracht? Het zal de gronden van de bergen in vlam zetten. Er is geen beschutting tegen de oordelen Gods, als zij komen met de opdracht om alles te verwoesten. Het zal branden tot in de onderste hel, dat is: het zal hen tot de diepste ellende brengen in deze wereld, hetgeen toch nog slechts flauw zou gelijken op de volkomen en eindeloze ellende en rampzaligheid in de andere wereld. De helse verdoemenis (zoals onze Heiland haar noemt) is het vuur van Gods toorn, dat zich hecht aan het schuldige geweten van de zondaar, tot zijn onuitsprekelijke en eeuwige kwelling, Jesaja 30:33.
2. De pijlen van Gods oordelen zullen op hen verschoten worden, totdat Zijn pijlkoker geheel ontledigd is vers 23. De oordelen Gods vliegen, evenals pijlen, zeer snel, Psalm 64:8, diegenen op een afstand bereikende, die zich vleien met de hoop er aan te zullen ontkomen, Psalm 21:9, 13. Zij komen van een onzichtbare hand, maar brengen dodelijke wonden toe want nooit mist God het doel, 1 Koningen 22:34. De bijzondere oordelen hier bedreigd, zijn:
A. Hongersnood. Zij zullen uitgeteerd zijn van honger.
B. Pestilentie en andere krankheden, hier genoemd karbonkel en bitter verderf.
C. Kwellingen door de mindere schepselen tanden van de beesten en venijn van slangen, vers 24.
D. Oorlog, en de noodlottige gevolgen er van, vers 25. a. Onophoudelijke verschrikkingen. Als van buiten het zwaard is, dan kan het niet anders, of er moet van binnen vrees zijn, 2 Corinthiërs 7:5. Van buiten was strijd, van binnen vrees. Zij, die de vreze Gods van zich afwerpen, worden met recht blootgesteld aan de vrees voor vijanden. b. Algemene sterfte. Als het zwaard des Heeren gezonden wordt om alles te verwoesten, dan zal het verderven zonder onderscheid te maken, noch de kracht van de jongeling, noch de schoonheid van de maagd, de onschuld van de zuigeling, noch de deftigheid of zwakheid van de grijsaard zal een beveiliging wezen tegen het zwaard, als het de een zowel als de ander verteert. Zuke verwoestingen worden aangericht door de oorlog, inzonderheid als hij gevoerd wordt door mensen roofgierig als wilde dieren en venijnig als slangen, vers 24. Zie hier het kwaad, dat door de zonde wordt aangericht, en acht hen dwaas, die er slechts een grap van maken.