Exodus 11:4-10
Aan Farao wordt hier kennis gegeven van de laatste plaag, die nu over hem en de Egyptenaars komen zal, namelijk de dood van alle eerstgeborenen in Egypte. Met die plaag werden zij het eerst gedreigd, Hoofdstuk 4:23. Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden, Hoofdstuk 4:23, maar zij werd het laatst over hen gebracht, de mindere oordelen werden beproefd, en als deze het werk gedaan hadden dan zou dit voorkomen zijn. Zie hoe traag God is tot toorn, en hoe Hij ontmoet wil worden op de dag van Zijn oordelen, zó, dat Zijn toorn wordt afgewend, en inzonderheid hoe dierbaar in Zijn ogen het leven van mensen is. Indien de dood van hun vee hen verootmoedigd en verbeterd had, dan zouden hun kinderen gespaard zijn. Maar als de mensen van het trapsgewijze komen van de oordelen van God geen goed gebruik willen maken, dan hebben zij het zichzelf te wijten, als zij aan het eind ondervinden, dat het ergste voor het laatste bewaard werd.
1. De plaag zelf wordt hier in bijzonderheden voorzegd, vers 4-6. De tijd is bepaald, omtrent middernacht, en wel de eerstvolgende middernacht, in het holst van de nacht, als allen slapen, zullen al hun eerstgeborenen de slaap van de dood slapen, niet stil en onmerkbaar, zodat het niet voor de morgen ontdekt zou worden, maar zó dat de gezinnen te middernacht gewekt zullen worden om hen te zien sterven. De uitgebreidheid van die plaag wordt beschreven, vers 5. De prins, die de troonopvolger had moeten zijn, was niet te hoog om er door bereikt te worden, noch de slavin aan de molen te gering om er door te worden opgemerkt. Aan Mozes en Aäron wordt niet geboden deze plaag op te roepen, neen Ik zal uitgaan, zegt de Here, vers 4. Vreeslijk is het te vallen in de handen van de levende God, wat is de hel anders dan dat?
2. De bijzondere bescherming, waaronder de kinderen van Israël zijn zullen, en het duidelijk merkbare verschil, dat er gemaakt zal worden tussen hen en de Egyptenaren, terwijl een engel het zwaard trok tegen de Egyptenaren, zou zelfs geen hond blaffen bij iemand uit de kinderen Israëls, vers 7. Hierin is een proef gegeven van het verschil, dat in de grote dag gemaakt zal worden tussen volken van God en Zijn vijanden. Indien de mensen wisten, welk een verschil God maakt, en tot in eeuwigheid zal doen voortduren, tussen hen, die Hem dienen, en hen, die Hem niet dienen, dan zou de godsdienst voor hun niet zo'n onverschillige zaak zijn, als zij er nu van maken, en er niet met zoveel onverschilligheid in handelen, als zij nu doen.
3. Hoe Farao's knechten zich ootmoedig aan Mozes zullen onderwerpen, en hoe onderdanig zij hem zullen smeken heen te gaan vers 8. Zij zullen afkomen en zich voor mij neigen. De trotse vijanden van God en Zijn Israël zullen eindelijk vallen, Openbaring 3:9, en bevonden worden leugenaars te zijn, Deuteronomium 33:29. Nu wordt gezegd dat Mozes, toen hij zijn boodschap had overgegeven, van Farao uitging in hitte van de toorn, hoewel hij de zachtmoedigste mens op aarde was. Waarschijnlijk verwachtte hij, dat het blote dreigen met de dood van de eerstgeborenen Farao tot toegeven bewogen zou hebben, inzonderheid daar Farao toch reeds in zoverre had toegegeven, en gezien had hoe nauwkeurig Mozes' voorzeggingen allen zijn uitgekomen. Maar het had die uitwerking niet, zijn hoogmoedig hart wilde niet buigen, neen, zelfs niet om de eerstgeborenen in zijn rijk te redden, geen wonder, dat de mensen van geen ondeugden teruggehouden worden door hun het vooruitzicht te openen op de eeuwige rampzaligheid, als zelfs het nabijzijnd gevaar van te verliezen alles wat hun dierbaar is in deze wereld hen niet verschrikt. Mozes werd toen tot een heilige toorn verwekt daar hij evenals onze Heiland later, "bedroefd was over de verharding van zijn hart," Markus 3:5. Het is een grote kwelling van de geest voor godvruchtige leraren, om de mensen doof te zien voor alle waarschuwingen, die hun gegeven worden, en dat zij roekeloos hun verderf tegemoet gaan in weerwil van alle vriendelijke pogingen om het te voorkomen. Zo ging Ezechiël "bitterlijk bedroefd" heen Ezechiël 3:14, omdat God hem gezegd had, dat het huis Israëls niet naar hem zal willen horen, vers 7. Toornig te zijn op niets anders dan de zonde, is het middel om niet in toorn te zondigen.
Mozes, aldus gewezen hebbende op de ontroering, die Farao's hardnekkigheid hem veroorzaakt had, wijst er nu ook op, dat God hem dit tevoren gezegd had, vers 9. De Heer had tot Mozes gesproken: Farao zal naar u niet horen. De Schrift heeft het ongeloof voorzegd van hen, die het evangelie zullen horen opdat het geen verwondering zou baren en geen struikelblok voor ons zou zijn, Johannes 12:37, 38, Romeinen 10:16. Laat ons nooit minne gedachten koesteren van het evangelie van Christus om de minachting, die de mensen er in het algemeen aan betonen, want ons werd vooruit gezegd welk een koud onthaal het zou vinden. Hij geeft een korte herhaling van hetgeen hij tevoren hieromtrent gezegd had, vers 10, namelijk dat Mozes al deze wonderen gedaan heeft, zoals zij hier verhaald zijn, voor Farao, (hij zelf was er ooggetuige van) en toch niet heeft kunnen overmogen, hetgeen een stellig teken was, dat God zelf, in de weg van een rechtvaardig oordeel, zijn hart had verhard. Zo was de verwerping van het Christus' Evangelie door de Joden zo'n grote ongerijmdheid, dat er gemakkelijk uit was af te leiden, dat "God hun een geest van diepe slaap had gegeven," Romeinen 11:8.