2 Kronieken 23:1-11
Wij kunnen ons wel voorstellen hoe slecht het stond met de zaken in Jeruzalem, gedurende de zes jaren van Athalia's overweldiging, en kunnen ons er over verwonderen dat God haar zo lang heeft toegelaten en Zijn volk haar zo lang heeft gedragen. Maar na zo'n donkeren, moeizamen nacht was de terugkeer van de dag in deze omwenteling zoveel helderder en des te meer welkom. God had gezworen bij Zijn heiligheid, dat Davids zaad en troon tot in eeuwigheid zouden zijn, Psalm 89:36-38, en een onderbreking was geen vernietiging, de stroom van de regering vloeit hier wederom in de rechte bedding. Het middel en de voornaamste bewerker van de restauratie is Jojada.
1. Hij toont zich hier als een men van groot beleid, die de jongen vorst zoveel jaren verborgen hield, totdat hij geschikt was om in het openbaar te verschijnen en het volk de overweldigster moede zou geworden zijn, hij maakte tevoren toebereidselen voor zijn werk, en heeft het toen met bewonderenswaardige omzichtigheid en vaardigheid ten uitvoer gebracht. Als God werk te doen heeft, zal Hij er mensen toe bekwamen en opwekken.
2. Als een man van groten invloed. De oversten voegden zich bij hem, vers 1. De Levieten en de hoofden van de vaderen Israëls kwamen op zijn oproep naar Jeruzalem vers 2 en stelden zich onder zijn orders.
Zie welk een gezag wijsheid en deugd de mensen geven. De Levieten en geheel Juda deden naar alles, dat de priester Jojada geboden had, vers 8 en hetgeen verwonderlijk is: allen, aan wie het geheim toevertrouwd was, zwegen er over totdat de zaak volbracht was. Aldus moeten de woorden van de wijzen in stilheid aangehoord worden, Prediker 9:17.
3. Een man van groot geloof. Het was geen gewone billijkheid of rechtvaardigheid, (en nog veel minder de betrekking van zijn vrouw tot het koninklijk geslacht, waardoor hij tot die onderneming gebracht werd) maar een letten op het woord van God, en eerbied voor het bestel Gods, door hetwelk de kroon erflijk was gemaakt in het huis van David, vers 3. De zoon des konings zal koning zijn, moet koning zijn, gelijk als de Heere van de zonen Davids gesproken heeft. Zijn oog naar de belofte en zijn steunen daarop zetten grote eer bij aan zijn onderneming.
4. Als een zeer Godsdienstig man. Deze zaak moest gedaan worden in de tempel, hetgeen een verbreking van de daar gestelde regelen tengevolge kon hebben. die door de noodzakelijkheid verontschuldigd kon worden, maar hij gaf toch nauwkeurige en stellige orders, dat niemand van het volk in het huis des Heeren zou komen dan alleen de priesters en Levieten die heilig waren, en dat wel op straffe des doods, vers 6, 7. Nooit moeten heilige dingen ontwijd worden, neen, zelfs niet ter ondersteuning van burgerlijke rechten.
5. Een man van grote vastberadenheid. Toen hij die zaak ondernam, heeft hij haar ook volvoerd, zij brachten de koning voor, zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, vers 11. Hij waagde er zijn hoofd mede, maar het was in een goede zaak, en daarom ging hij kloekmoedig voort. Er wordt hier gezegd dat zijn zonen zich met hem verenigden om de jongen koning te zalven, een hunner was waarschijnlijk die Zacharia, die Joas later gedood heeft omdat hij hem had bestraft, Hoofdstuk 24:20, hetgeen des te meer ondankbaar was, daar hij zo bereidwillig had deelgenomen aan zijn zalving.