1 Kronieken 24:20-31
De meesten van de Levieten, die hier genoemd zijn, waren tevoren reeds vermeld Hoofdstuk 23:16. en verv.
Zij behoorden tot hen, die de priesters meesten helpen in de dienst van het huis God.
Maar hier worden zij wederom genoemd als de hoofden van de vier en twintig ordeningen van de Levieten, die de dienst hadden bij de vier en twintig ordeningen van de priesters, daarom wordt van hen gezegd, dat zij loten wierpen nevens hun broederen -aldus worden zij genoemd, en niet hun heren-de zonen Aarons, die geen heerschappij moesten voeren over het erfdeel des Heeren, 1 Petrus 5:3.
En opdat het gehele beleid van de zaak van de Heere zou zijn, hebben de hoofden van de vaderen loten geworpen nevens hun jongere broederen, dat is: zij die van het oudere huis waren, kwamen op gelijke voet met hen, die van de jongere geslachten waren, namen dus hun plaatsen in niet naar rang van ouderdom maar naar God ze hun aanwees door het lot.
In Christus wordt geen verschil gemaakt tussen dienstknecht en vrije, tussen ouderen en jongeren. Als de jongere broederen getrouw en oprecht zijn, dan zullen zij Christus niet minder welbehaaglijk zijn dan de hoofden van de vaderen.